EHRM (61204/09: I. tegen Zweden)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2013 |
| Journal | EHRC. European Human Right Cases |
| Article number | 255 |
| Volume | Issue number | 2013 | 12 |
| Pages (from-to) | 2782-2791 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Klager is uit Tsjetsjenië naar Zweden gevlucht nadat hij in Tsjetsjenië is gefolterd, beweerdelijk omdat hij als journalist oorlogsmisdaden zou hebben gedocumenteerd. Zijn asielverzoek wordt door Zweden afgewezen, omdat zijn verklaringen niet consistent en betrouwbaar zijn.
Het Hof buigt zich eerst over de vraag of Rusland op grond van art. 36, eerste lid, EVRM als interveniënt moet worden toegelaten. Het Hof merkt op dat die bepaling oorspronkelijk bedoeld is om het voor verdragspartijen mogelijk te maken om diplomatieke bescherming te bieden aan hun onderdanen in een geschil met een andere verdragspartij. Dat recht ziet niet op de situatie zoals aan de orde in dit geding, waarin het gaat om een mogelijke schending van art. 3 EVRM bij terugkeer naar de staat die heeft verzocht om te interveniëren. Het Hof acht het daarom weinig passend om Rusland het recht van interventie toe te kennen. In de beoordeling onder art. 3 EVRM herhaalt het Hof dat het aan de klager is om een begin van bewijs te leveren dat het aannemelijk is dat hij bij terugkeer zal worden onderworpen aan mishandeling en dat, indien klager daarin is geslaagd, het aan de staat is om dat te weerleggen. In dit geval is weliswaar een medisch rapport aanwezig waaruit blijkt dat klager in het verleden is gemarteld, maar het relaas is onsamenhangend en tegenstrijdig. Het Hof heeft nog verzocht om extra bewijsmiddelen, maar het heeft die niet in overtuigende mate verkregen. Daardoor is louter op basis van het vluchtrelaas geen art. 3-risico aannemelijk. Het medisch bewijs is niettemin van belang in de inschatting van de gevolgen van terugkeer. Het Hof overweegt dat cumulatief alle relevante factoren die kunnen bijdragen aan het risico op mishandeling moeten worden bezien. Het is goed denkbaar dat de autoriteiten bij terugkeer de klager aan een lichamelijk onderzoek onderwerpen waarbij de zichtbare littekens van foltering worden gezien; daardoor kan een verdenking van vijandschap ontstaan. Daarom zou uitzetting toch in strijd komen met art. 3 EVRM. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2013/255 |
| Permalink to this page | |
