HR (zaaknr. 10/03865, LJN BV1522: Rafidain Bank/Solvochem)

Open Access
Authors
Publication date 2013
Journal Nederlandse Jurisprudentie
Article number 235
Volume | Issue number 2013 | 19
Pages (from-to) 2694-2716
Organisations
  • Faculty of Law (FdR)
Abstract
Internationaal privaatrecht. EVO; toepasselijk recht op documentair krediet; kenmerkende prestatie art. 4 lid 2 EVO; nauwste band art. 4 lid 5 EVO. Uitleg Letters of credit. Toepassing buitenlands (Iraaks) recht; aanvulling rechtsgronden; toetsing in cassatie.
Nu daartegen in cassatie niet is opgekomen, moet tot uitgangspunt dienen dat de vraag naar het toepasselijke recht op de verplichting van eiseres tot cassatie tot betaling uit hoofde van de letters of credit (L/C) moet worden beantwoord aan de hand van art. 4 EVO. Bij gebreke van rechtskeuze worden de verbintenissen uit een overeenkomst ingevolge art. 4 lid 1 beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst verbonden is, terwijl ingevolge art. 4 lid 2 de overeenkomst wordt vermoed het nauwst verbonden te zijn met het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten, op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst haar hoofdbestuur heeft. 's Hofs oordeel dat in de verhouding tussen partijen bij een L/C de openende bank de partij is die de in art. 4 lid 2 EVO bedoelde kenmerkende prestatie moet verrichten, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, ook niet nu die kenmerkende prestatie bestaat in het uitbetalen van een geldbedrag indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. De omstandigheid dat het documentair krediet onderdeel is van een meerpartijenverhouding staat daaraan evenmin in de weg, nu in een dergelijk geschil uitsluitend de rechtsverhouding tussen de openende bank en de begunstigde aan de orde is. Het hof heeft niet miskend dat de omstandigheden van het geval ingevolge art. 4 lid 5 EVO kunnen meebrengen dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land dan het vermoeden van art. 4 lid 2 EVO meebrengt. Daarvoor is nodig dat uit het geheel der omstandigheden duidelijk blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met dat andere land (HvJEG 6 oktober 2009, C-133/08, NJ 2010/168, m.nt. Th.M. de Boer), doch het hof heeft kennelijk geoordeeld dat daarvan in casu geen sprake is.
's Hofs oordeel dat uit de acceptatie van de wissels door de bank volgt dat de bank de verschuldigdheid van de daarop gestelde bedragen onder de L/C’s heeft erkend en dat de onder die L/C’s voorgeschreven documenten tijdig en volledig zijn gepresenteerd, is niet onjuist of onbegrijpelijk. ‘s Hofs uitleg van de L/C’s inhoudende dat deze geen acceptatieaccreditieven behelzen, is niet onjuist of onbegrijpelijk.
De vraag welke regels gelden onder een buitenlands rechtsstelsel is niet een feitelijke vraag die valt onder art. 149 Rv, maar een rechtsvraag waarbij de rechter ingevolge art. 25 Rv, dat ook van toepassing is op buitenlands recht, ambtshalve de rechtsgronden moet aanvullen. Over de juistheid van ’s hofs oordeel dat naar Iraaks recht de algemene verjaringstermijn van vijftien jaar van toepassing is en niet de door eiseres bepleite kortere verjaringstermijn, kan op grond van art. 79 lid 1 onder b RO in cassatie niet worden geklaagd.
Document type Case note
Note 446062: 159696_446062.pdf: Uitspraak + noot
Language Dutch
Published at http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00C27685&cpid=WKNL-LTR-Navigator
Downloads
documentair-krediet (Submitted manuscript)
446062 (Final published version)
Permalink to this page
Back