EHRM (74613/01)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2007 |
| Journal | EHRC. European Human Right Cases |
| Article number | 116 |
| Volume | Issue number | 2007 | 8-10 |
| Pages (from-to) | 1141-1154 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Klager, een inwoner van Bosnië en Herzegovina van Servische afkomst, was gearresteerd bij binnenkomst in Duitsland en in voorarrest geplaatst op sterke verdenking van betrokkenheid bij het plegen van genocide. Het Oberlandesgericht van Düsseldorf, optredend als rechter in eerste aanleg, had klager veroordeeld voor genocide en hem een levenslange gevangenisstraf opgelegd. Die uitspraak werd in hoger beroep bij het Bundesgerichtshof bevestigd. In beide procedures had klager een deel van de tenlastelegging betwist. Hij stelde dat hij zich, op het moment dat de misdrijven waarvan hij beschuldigd werd plaats hadden gevonden, in detentie bevond. Hij verzocht de rechterlijke instanties in dat kader om aanvullende getuigen te horen maar beide rechterlijke instanties weigerden zijn verzoek. Klager diende vervolgens, eveneens zonder succes, een klacht in bij het Bundesverfassungsgericht. Voor het EHRM stelt klager dat art. 5 en 6 lid 1 zijn geschonden omdat de Duitse rechterlijke instanties niet bevoegd waren om hem te veroordelen voor genocide. Klager stelt dat de Duitse rechterlijke instanties het principe van universele jurisdictie hebben uitgebreid buiten de grenzen van het internationale recht. Ook hebben zij in strijd met art. 7 een ongeoorloofde ruime interpretatie gegeven van het begrip genocide, met als gevolg dat het nullem crimen-beginsel is geschonden. Ook klaagt hij over het feit dat de Duitse rechterlijke instanties geweigerd hebben getuigen te horen in strijd met zijn recht op een eerlijk proces als neergelegd in art. 6 lid 1 en 3. Het Hof wijst al zijn klachten af. De klacht dat het recht op een eerlijk proces is geschonden, wordt kennelijk ongegrond verklaard. Datzelfde geldt voor de klachten inzake het ontbreken van jurisdictie in strijd met art. 5 en 6 lid 1. Nationale jurisdicties zijn bevoegd onder internationaal recht om universele jurisdictie te vestigen en uit te oefenen ten aanzien van genocide. Het Hof meent dat de Duitse rechterlijke instanties in redelijkheid jurisdictie hebben kunnen aannemen om klager te vervolgen voor genocide. De zaak is dan ook beoordeeld door een gerecht ingesteld bij wet in de zin van art. 6 lid 1. Klagers detentie was derhalve ook rechtmatig na een veroordeling door een bevoegd gerecht ingesteld bij wet in de zin van art. 5. En tot slot was de interpretatie van het begrip genocide consistent met de essentie van het misdrijf, terwijl klager kon hebben voorzien dat hem vervolging voor het begaan van genocide te wachten stond, zelfs bij de ruimere interpretatie naar Duits recht. Ook geen schending van art. 7 derhalve.
|
| Document type | Case note |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2007/116 |
| Permalink to this page | |