EHRM (14743/11: Abdulkhakov / Rusland)

Authors
Publication date 2012
Journal EHRC. European Human Right Cases
Article number 230
Volume | Issue number 2012 | 12
Pages (from-to) 2779-2801
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Amsterdam Center for International Law (ACIL)
Abstract
Naar aanleiding van een aanslag op een politiebureau in de Oezbeekse stad Khanabad op 25 mei 2009 worden orthodoxe moslims, onder wie klager, verdacht van betrokkenheid. Nadat klager tijdens een politieverhoor geslagen is om hem een bekentenis te ontlokken, vlucht hij eerst naar Kazachstan en daarna naar Rusland. Op 20 september 2009 wordt klager in staat van beschuldiging gesteld wegens participatie in een extremistische organisatie met een religieus, separatistisch of fundamentalistisch karakter. Later wordt de aanklacht nog aangevuld met ‘verspreiding van lasterlijke en opruiende geschriften’ en ‘het oproepen tot omverwerping van het wettelijk gezag’.

Direct na aankomst in Moskou, op 9 december 2009, wordt klager gearresteerd. In afwachting van een aangekondigd uitleveringsverzoek wordt klager gevangengenomen en vervolgens in uitleveringsdetentie gehouden. Op 14 mei 2010 besluit een Russische officier van justitie aan het uitleveringsverzoek van Oezbekistan gehoor te geven. Klager betwist de beslissing ten overstaan van de rechtbank, stellende dat de aanklachten ongegrond zijn, dat hij vanwege zijn religieuze overtuiging wordt vervolgd en dat hij vreest in Oezbekistan te zullen worden gefolterd. Op 29 december 2010 bevestigt de rechtbank van Moskou de uitleveringsbeslissing, waarbij onder meer wordt overwogen dat vervolging om politieke of religieuze redenen niet aannemelijk is en dat de Oezbeekse autoriteiten garanties hebben gegeven dat klager netjes behandeld zal worden. De Russische Hoge Raad bevestigt deze uitspraak op 14 maart 2011, maar voorlopig kan klager niet worden uitgeleverd, omdat het Europese Hof op grond van Regel 39 van de Regels van het Hof een voorlopige maatregel heeft afgekondigd, waarbij het Rusland tot nader order niet wordt toegestaan om betrokkene uit te leveren.

Nadat klager op 9 juni 2011 in vrijheid is gesteld, wordt hij op 23 augustus 2011 door mannen in burger ontvoerd en per vliegtuig overgebracht naar Tadzjikistan. Aldaar wordt hij aanvankelijk gedetineerd met het oog op tenuitvoerlegging van een Oezbeeks uitleveringsverzoek dat door een lokale rechtbank is ingewilligd. Maar vervolgens wordt klager op 22 november 2011 verrassend genoeg vrijgelaten met de mededeling dat hij zijn straf van 27 augustus tot 22 november heeft uitgezeten. Sinds zijn vrijlating is klager ondergedoken.

Het Hof komt tot de slotsom dat, mocht klager terugkeren naar Rusland, een daaropvolgende uitlevering naar Oezbekistan een schending van art. 3 EVRM zou opleveren. Die bepaling is al concreet geschonden door de gedwongen overbrenging naar Tadzjikistan, omdat klager door die handelwijze blootgesteld werd aan een reëel risico dat hij doorgeleverd zou worden naar Oezbekistan. Verder acht het Hof art. 5 EVRM geschonden, nu althans delen van de uitleveringsdetentie niet gebaseerd waren op een toereikende wettelijke basis en klager onvoldoende in de gelegenheid is geweest om tijdig de rechtmatigheid van zijn detentie aan de rechter voor te leggen. Ten slotte overweegt het Hof dat Rusland ook art. 34 van het Verdrag heeft geschonden nu de autoriteiten klager de effectieve bescherming van de Conventie hebben onthouden door de voorlopige maatregel niet naar behoren uit te voeren.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2012/230
Permalink to this page
Back