Rb. Zutphen (rolnummer 117522 FA RK 10-2229, LJN BP0049: IPR-echtscheiding: rechtsmacht, IPR-huwelijksvermogensrecht: spiegelbeeldcasus van Haagse Italianen, Versteinerung, eisen van rechtszekerheid)

Authors
Publication date 2011
Journal Jurisprudentie personen- en familierecht
Article number 46
Volume | Issue number 2011 | 3
Pages (from-to) 219-222
Organisations
  • Faculty of Law (FdR)
Abstract
Partijen zijn in 1973 gehuwd; de man is Italiaan, de vrouw is Nederlandse.
In het kader van de echtscheiding bepaalt de Nederlandse rechter dat hem rechtsmacht voor de echtscheiding toekomt op grond van art. 3 Brussel IIbis-verordening. Daarbij is op grond van art. 1 lid 4 wet conflictenrecht ontbinding huwelijk en scheiding van tafel en bed een rechtskeuze gedaan voor de toepassing van Nederlands recht. De echtscheiding wordt toegewezen.
Ten aanzien van het huwelijksvermogensrecht overweegt de rechtbank dat partijen vallen onder de werking van het Haags Huwelijksgevolgenverdrag 1905. Volgens dat verdrag is toepasselijk het nationale recht van de man, i.c. het Italiaanse recht. Partijen hebben in 1973 huwelijkse voorwaarden gemaakt met een rechtskeuze daarin voor Nederlands huwelijksvermogensrecht, maar het is de vraag of deze rechtskeuze geldig is gezien de bepalingen van art. 5 van genoemd verdrag, dat alleen een materieelrechtelijke rechtskeuze toestaat (dus alleen t.a.v. het regelend recht). De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen of het Italiaanse recht destijds een rechtskeuze voor Nederlands recht toestond, nu het Italiaanse recht kort daarna is gewijzigd. Naar het oordeel van de rechter kan dit in het midden blijven: ten tijde van de huwelijkssluiting kende het Italiaanse recht scheiding van goederen. Sedert 20 september 1975 geldt in Italiƫ gemeenschap van goederen vanwege een wetswijziging. In het Italiaanse overgangsrecht is bepaald dat het nieuwe regime ook geldt voor echtparen die daarvoor waren getrouwd, tenzij zij een behoudverklaring hebben afgelegd. Partijen in deze zaak hebben geen behoudverklaring afgelegd maar zij zijn er steeds van uitgegaan dat de scheiding van goederen nog steeds op hun huwelijksgoederenregime van toepassing zou zijn. De rechtbank is om deze reden van oordeel dat - in het geval een rechtskeuze niet mogelijk zou zijn - het flagrant in strijd met de rechtszekerheid zou zijn om de strikte toepassing van het verdrag en de gelding van de gemeenschap van goederen aan te nemen. In dit geval is een spiegelbeeldige situatie als in het Haagse Italianen-arrest (HR 27 maart 1981, NJ 1981, 335, m.nt. JCS) aan de orde. Uit dat arrest kan worden afgeleid dat rechtszekerheid van groot belang is voor de vaststelling van het toepasselijke recht in zaken die vallen onder het Haags Huwelijksgevolgenverdrag 1905.
Nu partijen het Nederlandse rechtsstelsel hebben gekozen voor hun huwelijksgoederenregime, wordt dit door de rechtbank gevolgd en moet het huwelijksgoederenstelsel verder volgens het echtscheidingsconvenant worden afgewikkeld.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatpersonenenfamilierecht.sdu.nl/link/JUR/JPF/2011/46
Permalink to this page
Back