Hof 's-Hertogenbosch (rolnummer HD 200.091.816, LJN BW9156: verdeling opgenomen in echtscheidingsbeschikking, laesio enormis, problemen met taal convenant)

Authors
Publication date 2012
Journal Jurisprudentie personen- en familierecht
Article number 108
Volume | Issue number 2012 | 6
Pages (from-to) 552-557
Organisations
  • Faculty of Law (FdR)
Abstract
Partijen waren gehuwd van 2000 tot 2009 in gemeenschap van goederen. In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de vermogensrechtelijke regeling uit het echtscheidingsconvenant als in de beschikking opgenomen wordt beschouwd. Die regeling omvatte onder andere een verdeling van de goederengemeenschap. Het gevolg van die verdeling is onder meer dat de schulden die de man is aangegaan, door hem moesten worden gedragen. De vrouw sommeert hem nu om aan haar uit te keren wat zij op zijn schulden heeft afbetaald. De man weigert dit en beroept zich op dwaling omtrent de verdeling.

De rechtbank oordeelt dat - ook al zou de man slagen in de vernietiging van de verdeling - hem dit niet zou baten, omdat hij nog steeds gebonden is aan de inhoud van de echtscheidingsbeschikking.

Het hof ziet dit anders: de reden waarom de regelingen in het convenant in de beschikking worden geacht te zijn opgenomen, ligt daarin dat daarmee aan de regelingen executoriale kracht wordt verleend. Dit houdt niet in dat de onderliggende verdeling niet meer voor vernietiging in aanmerking zou kunnen komen op grond van benadeling voor meer dan een kwart en dat de rechter dan alsnog een verdeling zou kunnen vaststellen op grond van art. 3:185 BW. Dat is slechts anders als uit de rechterlijke uitspraak een verdergaande strekking blijkt, zie HR 19 november 1982, NJ 1983, 494, m.nt. EAAL, maar daar is in casu geen sprake van. Hetgeen de rechtbank in de beschikking heeft opgenomen, is geen eigen beslissing aangaande de verdeling, maar neemt alleen over wat partijen hadden afgesproken. De man is daarom ontvankelijk in zijn beroep tot vernietiging van de overeenkomst van verdeling. Echter, het hof wijst het verzoek af, omdat het van oordeel is dat - aangezien de man de verdeling te eigen bate en schade heeft aanvaard en afstand heeft gedaan van zijn recht op vernietiging van de verdeling - een beroep op dwaling niet meer mogelijk is. Hij heeft onvoldoende aangevoerd, waarom dit beroep toch nog mogelijk zou zijn. Hij beroept zich daarbij onder meer op het feit dat hij de Nederlandse taal onvoldoende machtig was om te begrijpen wat het convenant inhield. Ten processe is gebleken dat de onderhandelingen die hebben geleid tot de totstandkoming van het convenant in de Duitse taal geschiedden, dat de man van Duitse origine is en dat partijen onderling tijdens het huwelijk ook Duits hebben gesproken. Bovendien is gebleken dat tijdens het huwelijk de man de financiƫle administratie deed in het Nederlands en daar geen problemen mee had, zoals dat ook bleek tijdens de zitting van het hof. Dat de man vanwege taalproblemen niet begrepen had dat er schulden waren, komt het hof dan ook niet aannemelijk voor. Hij heeft overigens ook onvoldoende bewijs geleverd voor de stelling dat sprake zou zijn van een dusdanige benadeling dat de verdeling niet in stand kan blijven. Het hof wijst het beroep van de man op vernietiging van de verdeling dan ook af.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JPF/2012/108
Permalink to this page
Back