HR (zaaknr. 13/02237: forfaitairrendementsheffing over participaties in buitenlandse beleggingsfondsen: verdragstoepassing)

Authors
Publication date 2014
Journal BNB : Beslissingen in Belastingzaken
Article number 170
Volume | Issue number 2014 | 16
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Amsterdam Center for Tax Law (ACTL)
Abstract
Belanghebbende heeft vermogen belegd in (aandelen)participaties in buitenlandse beleggingsfondsen. Een deel van die fondsen heeft in 2006 dividend uitgekeerd. Daarover is buitenlandse bronbelasting geheven. Het andere deel van de fondsen heeft in 2006 aan belanghebbende geen dividend betaald. In zijn aangifte heeft belanghebbende het voordeel ter zake van de participaties berekend op vier percent van de gemiddelde waarde ervan. De geheven bronbelasting heeft hij als verrekenbare buitenlandse bronbelasting in aanmerking genomen. Tegen de hem conform zijn aangifte opgelegde aanslag is hij in bezwaar en beroep gekomen.

Voor het Hof was in geschil of Nederland onder de toepasselijke belastingverdragen belasting mag heffen over een forfaitair berekend voordeel uit de participaties in de buitenlandse beleggingsfondsen, ongeacht of op die participaties dividend is uitgekeerd. Belanghebbende bepleitte subsidiair een verrekening van fictieve buitenlandse bronbelasting met betrekking tot de participaties waarop geen dividend is uitgekeerd. Het Hof heeft geoordeeld dat de toepasselijke belastingverdragen zich niet verzetten tegen de onderwerpelijke forfaitairrendementsheffing en geen grondslag bieden voor een verrekening van fictieve bronbelasting.

HR: In de toepasselijke belastingverdragen wordt voor de betekenis van daarin niet (anders) omschreven begrippen verwezen naar de betekenis in de wetgeving van de desbetreffende staat. De verdragen kennen aan Nederland het heffingsrecht toe over betaalde dividenden. Op grond van de Wet IB 2001 worden bij een inwoner van Nederland niet de daadwerkelijk ontvangen dividenden als belaste inkomsten aangemerkt, maar forfaitair berekende bedragen. Hieruit volgt nog niet dat Nederland zijn heffingsrecht uitbreidt buiten de grens die de verdragen daaraan stellen. Indien bepaalde inkomsten naar hun aard, zoals die bepaald wordt door de bron waaruit zij ontstaan, aan Nederland ter heffing zijn toegewezen, laten de verdragen Nederland de ruimte voor bepaling van de wijze van heffing, het tijdstip waarop de inkomsten in aanmerking worden genomen, de omvang van de inkomsten en de wijze van hun berekening. Daarbij kan ruimte zijn voor het toepassen van forfaits en ficties.

De verdragen laten weliswaar geen ruimte voor een effect van nationale regels waarmee de toewijzing van inkomsten eenzijdig zou worden gewijzigd (vgl. HR, BNB 2003/379c*), maar in dit geval is Nederland als woonstaat met de forfaitairrendementsheffing gebleven binnen de grenzen van de heffingsbevoegdheid die hem op grond van de verdragen toekomt. Het Hof heeft immers (onbestreden) geoordeeld dat indien de niet daadwerkelijk verkregen inkomsten uit de participaties later alsnog worden verkregen, zij aan belanghebbende kunnen toevloeien als dividend of als vermogenswinst, waarover het heffingsrecht volgens de verdragen aan de woonstaat is toegewezen.

De verdragen noch de Nederlandse wettelijke regeling bieden grond voor verrekening van fictieve bronbelasting in verband met de onderhavige heffing naar een forfaitair rendement.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00C72FD4&cpid=WKNL-LTR-Nav2
Permalink to this page
Back