NJ 2021/236
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2021 |
| Journal | Nederlandse Jurisprudentie |
| Case Number | ['C-229/19', 'C-289/19'] |
| Article number | 326 |
| Volume | Issue number | 2021 | 44 |
| Pages (from-to) | 5591-5603 |
| Number of pages | 13 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door het Gerechtshof Amsterdam (Nederland) (C‑229/19) en het Gerechtshof Den Haag (Nederland) (C‑289/19) bij beslissingen van 5 maart 2019 en 2 april 2019.
Prejudiciële verwijzing. Bescherming van de consument. Richtlijn 93/13/EEG. Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Artikel 3, lid 1, artikel 4, lid 1, en artikel 6, lid 1. Beoordeling van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen. Beding waarbij het mogelijke voordeel voor de schuldeiser bij vroegtijdige beëindiging van de overeenkomst bij voorbaat wordt gefixeerd. Aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen. Datum waarop de verstoring van het evenwicht moet worden beoordeeld. Vaststelling dat een beding oneerlijk is. Gevolgen. Vervanging van een oneerlijk beding door een nationale bepaling van aanvullend recht. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00D7C924&cpid=WKNL-LTR-Nav2 |
| Downloads |
Hof van Justitie 27 januari 2021, Dexia Nederland BV_noot Loos
(Accepted author manuscript)
|
| Permalink to this page | |