ECSR (rolnr. 90/2013: Recht op huisvesting; recht op sociale en geneeskundige bijstand; dakloosheid; onrechtmatig verblijf)

Authors
Publication date 2015
Journal EHRC. European Human Right Cases
Article number 24
Volume | Issue number 2015 | 2
Pages (from-to) 75-79
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Amsterdam Center for International Law (ACIL)
Abstract
De Vereniging van Europese Kerken klaagt over het niet toekennen van onderdak en het niet voorzien in voedsel en medische zorg voor uitgeprocedeerde asielzoekers die onrechtmatig in Nederland verblijven. Het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) beoordeelt allereerst of de ingeroepen bepalingen van het herziene Europees Sociaal Handvest (ESH) wel van toepassing zijn, nu in Appendix 1 van het ESH het toepassingsbereik van het ESH uitdrukkelijk wordt beperkt tot mensen met rechtmatig verblijf in een land en Nederland expliciet bij brief heeft geweigerd het toepassingsbereik te verruimen. Het ECSR roept in herinnering dat het al eerder heeft aangegeven dat het onrechtmatige verblijf van vreemdelingen niet kan betekenen dat hun meest basale rechten onder het ESH kunnen worden geschonden, zoals hun recht op leven en lichamelijke integriteit en hun menselijke waardigheid. Bovendien moet het ESH in harmonie worden gelezen met andere internationale bepalingen. Gelet daarop moet worden aangenomen dat het ESH toegepast kan worden op vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf, maar alleen voor zover het niet toepassen van het ESH ernstige nadelige effecten zou hebben voor hun fundamentele rechten en hen in een onacceptabele positie zou plaatsen in vergelijking met legaal in een staat verblijvende personen. Ten aanzien van art. 13 lid 4 ESH geldt dat onderdak, voedsel en medische zorg alleen hoeven te worden gegeven als sprake is van een situatie van een onmiddellijke en urgente behoefte, maar die situatie mag niet te eng worden geïnterpreteerd. Het ECSR heeft al eerder over Nederland geoordeeld in statenrapportages dat de situatie ten aanzien van vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf niet in overeenstemming is met deze bepaling; sinds dat oordeel is er feitelijk geen verbetering in de situatie gebracht en een groot aantal onrechtmatig in Nederland verblijvende personen ontbeert de noodzakelijke hulp en ondersteuning. Daarbij acht het ECSR ook relevant dat het hier gaat om een minimale kernverplichting voor de staat die is erkend in VN-documenten zoals de General Comments van het VN-Comité inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten. Bovendien gaat het om menselijke waardigheid, hetgeen een waarde is die ook in het Europese systeem in meer algemene zin is erkend. Wel is het bereik van het ESH breder in de zin dat deze ondersteuning ook aan personen zonder rechtmatig verblijf toekomt en dat het toekennen van steun niet afhankelijk mag worden gemaakt van de bereidheid van de betrokkenen om mee te werken aan hun terugkeer. Het argument van de regering dat in sommige gevallen wel vanuit gemeenten hulp wordt geboden doet aan de algemene conclusies niet af, nu deze hulp niet is gebaseerd op een centrale grondslag die tegemoetkomt aan de positieve verplichtingen die uit het ESH voortvloeien. Ten slotte zouden minder zware middelen ook volstaan om het door de regering nagestreefde doel om uitgeprocedeerden terug te laten keren te realiseren. Gelet op dit alles is sprake van een schending van art. 13 lid 4 ESH. Op vergelijkbare gronden stelt het ECSR een schending van art. 31 lid 2 ESH vast vanwege het ontbreken van onderdak.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2015/24
Permalink to this page
Back