Hof Den Haag (rolnr. 200.117.432/01: koude uitsluiting, van huwelijkse voorwaarden afwijkend gedrag, redelijkheid en billijkheid)

Authors
Publication date 2014
Journal Jurisprudentie personen- en familierecht
Article number 94
Volume | Issue number 2014 | 5
Pages (from-to) 528-535
Organisations
  • Faculty of Law (FdR)
Abstract
Partijen waren gehuwd in koude uitsluiting. In de huwelijkse voorwaarden was verder overeengekomen dat de staande huwelijk aan te kopen onroerende zaak die dient als echtelijke woning of anderszins aan de samenwoning dienstbaar zal zijn, door partijen, ieder voor de onverdeelde helft, in eigendom zal worden verworven, tenzij partijen anders overeenkomen. Staande huwelijk in 2007 hebben partijen hun huwelijkse voorwaarden gewijzigd waarbij de clausule betreffende de gezamenlijke verkrijging van de echtelijke woning niet meer was opgenomen. Voor het huwelijk, toen partijen al een relatie hadden, heeft de vrouw een woning in eigendom verworven en in die woning hebben partijen in de huwelijkse periode samen gewoond. Tijdens het huwelijk hebben partijen daaropvolgend en achtereenvolgens gewoond in drie woningen, die alle uitsluitend door de man in eigendom zijn verkregen. Ook de hypothecaire leningen ten behoeve van de verkrijging van die woningen zijn telkens alleen door de man aangegaan. De vrouw heeft hiervoor steeds toestemming gegeven overeenkomstig art. 1:88 BW. Partijen hebben in maart 2008 een echtscheidingsconvenant gesloten, waarbij de huwelijkse voorwaarden zijn afgewikkeld. De echtscheiding is op 17 juli 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

De vrouw eist onder meer vernietiging van de overeenkomst inhoudende wijziging huwelijkse voorwaarden en het echtscheidingsconvenant en zij eist vergoeding voor de waarde(stijging) van de woningen die op naam van de man zijn gesteld op grond van economische eigendom.

Het hof is van oordeel dat, gelet op deze situatie, waarin:
- nadat de allereerste woning waarin partijen woonden alleen op naam van de vrouw stond;
- tot drie maal toe achtereenvolgens een woning is aangekocht die uitsluitend op naam van de man is gesteld;
- waarbij de vrouw bij geen van de hypothecaire leningen als schuldenaar was betrokken;
- waarin zij telkens ex art. 1:88 BW toestemming heeft verleend voor verkoop van een woning en het vervolgens met hypotheek bezwaren van een volgende woning; en
- zij er daardoor mee bekend was dat die woningen uitsluitend eigendom waren van de man,

sprake is van onderling overeenstemmend gedrag waarmee door beide partijen is afgeweken van het uitgangspunt van art. 2 van de oorspronkelijke huwelijkse voorwaarden. Uit hun overeenstemmende en voortdurende handelwijze kan worden afgeleid dat de gemeenschappelijke bedoeling van partijen anders was dan overeengekomen in art. 2 van de huwelijkse voorwaarden en dat aldus beide partijen anders hebben gehandeld dan zij bij huwelijkse voorwaarden waren overeengekomen ten aanzien van de eigendom van de tijdens het huwelijk te verkrijgen woningen. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is het naar het oordeel van het hof dan ook onaanvaardbaar dat art. 2 van de oude huwelijkse voorwaarden als verrekenvordering van de vrouw met als grondslag economische eigendom op grond van die meer omschreven bepaling van huwelijkse voorwaarden toepasselijk is. Dat partijen mogelijk geen aandacht hebben geschonken aan de bepaling van art. 2 van de oorspronkelijke huwelijkse voorwaarden maakt dit niet anders. Het is noch gesteld noch gebleken dat de man de vrouw in onwetendheid heeft doen verkeren omtrent haar recht uit hoofde van het meer vermelde art. 2. Er is slechts sprake van een gezamenlijke handelwijze van partijen waaruit een bewuste bedoeling blijkt de woningen uitsluitend op naam van de man te stellen en de vrouw niet aansprakelijk te maken voor in verband met de financiering van de woningen gesloten geldleningen. De vrouw heeft ook niet gesteld dat zij niet wist dat de woningen en de hypothecaire leningen telkens alleen op naam van de man zijn gesteld c.q. alleen door de man zijn aangegaan. De redelijkheid en billijkheid brengen ook mee dat van de vrouw verwacht kon worden dat zij de eigendom van de woning(en) ter discussie zou stellen, zo zij het met de gang van zaken ter zake de tenaamstelling van de woningen en de hypothecaire leningen niet eens was geweest en van oordeel was dat zij tenaamstelling op beider naam op grond van de huwelijkse voorwaarden kon vorderen. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw dit tijdens het huwelijk heeft gedaan. Het vorenstaande leidt er toe dat, nu dit verweer van de man slaagt, de vrouw geen verbintenisrechtelijke aanspraak ten aanzien van de woning(en) toekomt. De vorderingen van de vrouw dienaangaande worden afgewezen
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JPF/2014/94
Permalink to this page
Back