Constituenten en woordsoorten

Authors
Publication date 2008
Host editors
  • A. Baker
  • B. van den Bogaerde
  • R. Pfau
  • T. Schermer
Book title Gebarentaalwetenschap: een inleiding
ISBN
  • 9789077822333
Pages (from-to) 99-119
Publisher Deventer: Van Tricht
Organisations
  • Faculty of Humanities (FGw) - Amsterdam Institute for Humanities Research (AIHR) - Amsterdam Center for Language and Communication (ACLC)
Abstract
Net als gesproken talen beschikken gebarentalen over vier soorten constituenten:
nominale constituenten, verbale constituenten, adjectivische constituenten
en adverbiale constituenten. Deze zijn gerelateerd aan de vier woordsoorten.
Vaak moet de grammaticale en semantische context duidelijk maken om welke
soort constituent het gaat. Net als in gesproken talen zijn ook gebarentaalconstituenten
hiërarchisch georganiseerd. De hiërarchische structuur kan door middel
117 ane baker & roland pfau
van haakjes of in een boomdiagram worden weergegeven. Deze manier van weergave
is echter vooral lineair en daarom enigszins problematisch voor gebarentalen
vanwege de simultaneïteit van gebarentaaluitingen. Zo kunnen bijvoorbeeld
ook niet-manuele modificeerders als constituent fungeren. Net als in gesproken
talen hebben constituenten in gebarentalen altijd een hoofd dat de soort constituent
bepaalt. Onder bepaalde omstandigheden mag het hoofd wel weggelaten
worden.
De meeste gebaren zijn lexicale gebaren: werkwoorden, naamwoorden, adjectieven
of adverbia. Het onderscheiden van verschillende woordsoorten is echter
soms lastig omdat woordsoorten nauwelijks door middel van bijvoorbeeld affixen
gemarkeerd worden. Ook hierbij speelt de linguïstische context weer een belangrijke
rol. Voor enkele gebarentalen zijn echter systematische vormverschillen
beschreven tussen semantisch gerelateerde naamwoorden en werkwoorden.
Sommige werkwoorden kunnen classifier-handvormen bevatten. Adjectieven en
adverbia kunnen zowel manueel als niet-manueel geraliseerd worden. Verder
kunnen ook contourgebaren als adjectieven fungeren.
In het algemeen beschikken gebarentalen over weinig functiegebaren. Het
wijsgebaar 'index' kan verschillende grammaticale functies vervullen: het kan als
bepaald lidwoord dienen, als persoonlijk voornaamwoord en als aanwijzend
voornaamwoord. Ruimtelijke relaties die in gesproken talen vaak door middel
van preposities of postposities worden gespecificeerd, worden in gebarentalen
meestal in de ruimte uitgedrukt. Tijdelijke relaties kunnen weliswaar door middel
van adposities worden weergegeven, maar ook hierbij speelt de ruimte vaak
een belangrijke rol. Ook conjuncties die twee zinnen met elkaar verbinden zijn
vrij zelden in gebarentalen, maar er bestaat wel een klein aantal. Door middel van
partikels kan de betekenis van een zin worden veranderd. Gebarentalen verschillen
van elkaar wat betreft het gebruik van ontkenningspartikels. Alle gebarentalen
lijken over dergelijke partikels te beschikken, maar in vele gebarentalen
is het gebruik ervan optioneel, omdat ontkenning ook niet-manueel gerealiseerd
kan worden. In sommige gesproken talen kan de betekenis van een zin ook door
modaalpartikels worden gemodificeerd. Dergelijke veranderingen worden in
gebarentalen vooral niet-manueel uitgedrukt. Hulpwerkwoorden treden altijd op
in combinatie met een lexicaal werkwoord. Ze hebben de functie om tijd, aspect
en modaliteit te markeren of om een subject en een predikaat met elkaar te verbinden
(koppelwerkwoord). De meeste gebarentalen kennen geen koppelwerkwoord.
Tijd wordt in gebarentalen vooral door adverbia gemarkeerd maar sommige
gebarentalen kennen ook specifieke tijd- en aspect-hulpwerkwoorden.
Vele gebarentalen maken wel regelmatig gebruik van modale werkwoorden om
de mogelijkheid of noodzakelijkheid van een gebeurtenis uit te drukken.
Document type Chapter
Language Dutch
Permalink to this page
Back