Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Arnhem) (200.126.185: Toerekening aansprakelijkheid voor kartelschade)
| Authors |
|
|---|---|
| Publication date | 2014 |
| Journal | Jurisprudentie Onderneming & Recht |
| Article number | 265 |
| Volume | Issue number | 2014 | 10 |
| Pages (from-to) | 2656-2672 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Volgens de rechtspraak rust de verplichting tot schadevergoeding in een geval als het onderhavige, waarin door een rechtspersoon als gevolg van zeggenschap over een andere rechtspersoon misbruik kan worden gemaakt van het identiteitsverschil tussen hen beiden, niet alleen op de persoon (in dit geval ABB Ltd., althans de rechtspersoon die ABB BV toentertijd beheerste), die met gebruikmaking van haar zeggenschap de betrokken rechtspersoon tot medewerking aan onrechtmatig handelen heeft gebracht, maar ook op laatstbedoelde rechtspersoon (in dit geval ABB BV). Het ongeoorloofde oogmerk van degene die hem beheerst, dient rechtens immers te worden aangemerkt als een oogmerk van die rechtspersoon zelf (zie HR 13 oktober 2000, «JOR» 2000/238, m.nt. De Witt Wijnen (Rainbow/Ontvanger). Door de implementatie van de kartelafspraken op het niveau van (dochtervennootschap) ABB BV heeft ABB Ltd. als (indirect) grootaandeelhouder van ABB BV de handelwijze van ABB BV met betrekking tot haar onderhavige offerte/prijsbepaling onmiskenbaar "gestuurd". Ook al onderkent het hof dat het niet ongebruikelijk is dat in een centraal geleid concern als ABB prijzen door de centrale leiding worden bepaald, dit brengt in voorkomend geval, zoals in casu, wel mee dat de onrechtmatigheid daarvan mede aan ABB BV is toe te rekenen, ook als bij ABB BV zelf, zoals zij aanvoert, de kennis van het kartel en/of het gebruik van haar bedrijfsvoering ter implementatie daarvan, zou(den) hebben ontbroken. Zo ABB Ltd. de informatie daaromtrent om haar moverende redenen, in het bijzonder de verheimelijking van de kartelafspraken, niet aan ABB BV zou hebben doorgegeven, dan is haar desbetreffende kennis in een geval als het onderhavige aan ABB BV toe te rekenen, dit mede ter bescherming van TenneT c.s. die erop mochten vertrouwen dat ABB BV zelf haar verkoopprijzen bepaalde, althans zelf voor een verantwoorde - niet door verboden kartelafspraken beïnvloede - prijsstelling zorg droeg. Een andersluidende opvatting zou er ook (te) gemakkelijk toe kunnen leiden dat tot dezelfde onderneming c.q. economische eenheid behorende afzonderlijke juridische entiteiten zouden kunnen profiteren van hun onderscheiden rechtspersoonlijkheden: de deelnemer aan het kartel zou geen uitvoeringshandelingen hebben verricht en de feitelijke uitvoerder van de kartelafspraken zou niet van het kartel hebben geweten. Mede tegen de achtergrond van de in art. 101 VwEU neergelegde kernbepaling tot het tegengaan van kartels is dit onaanvaardbaar. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank onder aanvulling en verbetering van gronden.
|
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JOR/2014/265 |
| Permalink to this page | |