EHRM (rolnr. 10883/05: [Willem/Frankrijk])

Authors
Publication date 2009
Journal EHRC. European Human Right Cases
Article number 110
Volume | Issue number 2009 | 10-10
Pages (from-to) 1150-1155
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Institute for Information Law (IViR)
Abstract
Willem is burgemeester van de Franse plaats Seclin (Nord-Pas de Calais). In de loop van de gemeenteraadsvergadering van 3 oktober 2002 maakt hij in aanwezigheid van journalisten zijn voornemen bekend om producten uit Israël te boycotten. Met name vruchtensappen uit dat land zullen niet meer in de gemeentelijke kantines aanwezig mogen zijn. Op de website van de gemeente motiveert hij dat voornemen door te wijzen op de onderdrukking van de Palestijnen, de vernietiging van hun huizen, de massamoord in Sabra en Chatila en de gebeurtenissen in Jenin. De kritiek richt zich in het bijzonder op de Israëlische minister-president Sharon wegens zijn betrokkenheid bij de genoemde gebeurtenissen.
Het Openbaar Ministerie besluit tot vervolging op grond van art. 23 en 24 van de Wet op de Pers, waarin het verbod van aanzetten tot discriminatie (‘provocation à la discrimination’) op grond van nationaliteit, ras en religie is vastgelegd. De rechtbank te Lille ontslaat de verdachte van rechtsvervolging om reden dat de uitlatingen zich eerder tegen producten dan tegen personen richten en omdat de verdachte gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrijheid van meningsuiting, zoals vastgelegd in het EVRM.
In opdracht van de Minister van Justitie stelt het OM hoger beroep in. Het Hof te Douai acht de verdachte schuldig en veroordeelt hem tot een boete van 1000 euro. De redenering is onder meer dat het boycotten van producten uit een bepaald land wel degelijk discriminatie van producenten op grond van nationaliteit is en dat deze discriminatie op geen enkele wijze is gewettigd. Het beroep in cassatie wordt verworpen.
Op 17 maart 2005 dient Willem een verzoekschrift in bij het EHRM. Op 16 juli 2009 doet het Hof uitspraak. Het Hof wijst erop dat aanzetten tot discriminatie te onderscheiden is van het uiten van een mening en dat een burgemeester een zekere neutraliteit in acht dient te nemen, ook al is hij tegelijkertijd als een gekozen volksvertegenwoordiger te beschouwen. Het Hof acht de inmenging in het recht op vrijheid van meningsuiting niet disproportioneel. Art. 10 EVRM is niet geschonden, gegeven ook de appreciatiemarge die de nationale autoriteiten toekomt in dergelijke zaken, aldus het Hof.

Document type Case note
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2009/110
Permalink to this page
Back