HR (zaaknr. 11/01046, LJN BY4310: Het vervolgingsbeletsel van art. 31 Vluchtelingenverdrag)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2013 |
| Journal | Rechtspraak Vreemdelingenrecht |
| Article number | 98 |
| Volume | Issue number | 2013 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Uit de strekking van art. 31 Vluchtelingenverdrag vloeit voort dat het openbaar ministerie in de op art.
231 Sr gebaseerde vervolging van een verdachte die vreemdeling is en zich tegen de beschuldiging verweert met een beroep op de bescherming die deze verdragsbepaling beoogt te bieden, slechts dan ontvankelijk is indien onverwijld en zonder nader onderzoek door de strafrechter kan worden vastgesteld dat de stelling van de vreemdeling dat hij een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag ongegrond is. Tegen deze achtergrond moet met het oog op een voor de praktijk van de strafrechtspleging zo eenvoudig mogelijk te hanteren regel thans worden aangenomen dat de vreemdeling niet behoort te worden vervolgd wegens het onmiskenbaar in het kader van zijn vlucht in het bezit hebben of aangewend hebben van vervalste documenten zolang, kort gezegd, op de door de vreemdeling gedane eerste asielaanvraag nog niet onherroepelijk is beslist. Evenmin bestaat, zo lang geen sprake is van een onherroepelijke afwijzing van de eerste door de verdachte gedane asielaanvraag, bij een strafvervolging ter zake van het in art. 231 Sr strafbaar gestelde misdrijf ruimte om te onderzoeken of aan de overige voorwaarden van art. 31 Vluchtelingenverdrag is voldaan. In het onderhavige geval is door het Hof vastgesteld dat de uit Somaliƫ afkomstige verdachte van Pakistan via Maleisiƫ naar Nederland is gereisd en in het kader van zijn reis naar Nederland gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld Brits paspoort. De verdachte heeft in Nederland een asielverzoek gedaan en aan hem is een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van art. 29, eerste lid onder b, Vw 2000. Daarmee is aan de verdachte een zogenoemde subsidiaire vorm van bescherming geboden, die als een aanvulling moet worden beschouwd op de aan vluchtelingen op grond van het Vluchtelingenverdrag te bieden bescherming. Dat brengt mee dat de bescherming die een vluchteling kan ontlenen aan de strekking van art. 31 Vluchtelingenverdrag in de gevallen waarin nog niet definitief (afwijzend) is beslist op een door hem gedane (eerste) asielaanvraag, zich op overeenkomstige wijze behoort uit te strekken tot de vreemdeling aan wie de even genoemde subsidiaire vorm van bescherming is geboden. Zo een vreemdeling behoort niet strafrechtelijk te worden vervolgd wegens het onmiskenbaar in het kader van zijn reis naar Nederland in het bezit hebben of aangewend hebben van valse of vervalste documenten. Daaruit volgt dat het Hof het Openbaar Ministerie in de op art. 231 Sr gebaseerde strafvervolging van de verdachte niet-ontvankelijk had moeten verklaren. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://www.arsaequi.nl/data/downloadables/download/file/RV20130098.pdf |
| Permalink to this page | |
