Gerechtshof 's-Gravenhage (IPR-huwelijksvermogensrecht: toepasselijk recht, automatische verandering leidt tot "wagonstelsel", Onttrekking gelden aan gemeenschap van goederen, Zaaksvervanging privégoederen)

Authors
Publication date 2009
Journal Jurisprudentie personen- en familierecht
Article number 67
Volume | Issue number 2009 | 5
Pages (from-to) 328-329
Organisations
  • Faculty of Law (FdR)
Abstract
De man heeft de Marokkaanse nationaliteit; de vrouw de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit. Partijen zijn in 1997 in Marokko gehuwd. De man woonde toen in Marokko. Hij heeft zich in 2001 bij de vrouw gevoegd, die in Nederland woont. Zij hebben geen rechtskeuze gemaakt. Het huwelijk is in 2007 door echtscheiding ontbonden.

In geding is onder meer het toepasselijk recht op het huwelijksvermogensregime. Het hof overweegt - in navolging van een advies van het Internationaal Juridisch Instituut - dat op grond van art. 4 lid 2 onder 3 Haags huwelijksvermogensverdrag 1978 het Marokkaanse huwelijksvermogensrecht van toepassing is op de periode dat partijen geen gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hadden, dus van 1997 tot 2001.

Vanaf 2001 tot het einde van het huwelijk in 2007 hadden zij wel een gezamenlijke gewone verblijfplaats, namelijk Nederland. Op grond van art. 7 lid 2 van het Verdrag is daarmee het Nederlandse huwelijksvermogensrecht van toepassing op die periode. Op het moment dat de man in Nederland is komen wonen, is een huwelijksgemeenschap ontstaan die de daarna verkregen goederen omvat. Het hof stelt de huwelijksgoederengemeenschap vast.

Vervolgens stelt het hof vast dat de man tijdens de periode in Nederland een bedrag van € 21.000,= heeft gespaard, hetgeen tot de huwelijksgemeenschap behoort. De man heeft in maart 2006 dat bedrag van de bankrekening opgenomen. Hij was daartoe ook bestuursbevoegd. Hij heeft dat geld vergokt in het casino. In augustus 2006 is de echtscheidingsprocedure gestart. De vrouw heeft gesteld dat de man het geld zonder haar toestemming heeft opgenomen en dat hij daardoor de huwelijksgemeenschap heeft benadeeld. Hij moet volgens haar de helft van het bedrag aan haar vergoeden.

Het hof begrijpt deze stelling als een beroep op art. 1:164 BW. De man heeft daarmee volgens het hof binnen zes maanden voorafgaande aan het verzoekschrift tot echtscheiding de gemeenschap benadeeld door de gelden te vergokken. Het wijst het verzoek van de vrouw toe.

De vrouw beschikte uit de periode dat het Marokkaanse recht het huwelijksgoederenregime beheerste, over bepaalde inboedelgoederen die haar privé-eigendom waren. Het Marokkaanse recht kent geen gemeenschap van goederen. Door zaaksvervanging komen goederen die daarvoor in de plaats komen, ook weer aan haar in privé toe. Voor zover de man deze goederen onder zich heeft, dient hij deze aan haar af te geven zonder vergoeding. Tevens geldt dat de studieschuld die de vrouw in 1997 was aangegaan, haar privéschuld is die door haar alleen moet worden gedragen nu deze onder het Marokkaans huwelijksvermogensregime valt.
Document type Case note
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JPF/2009/67
Permalink to this page
Back