EHRM (nr 69698/01, LJN: BC3389: [De zaak Stoll, Grand Chamber])

Authors
Publication date 2008
Journal Nederlandse Jurisprudentie
Article number 236
Volume | Issue number 2008 | 19/20
Pages (from-to) 2265-2267
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Institute for Information Law (IViR)
Abstract
Klager krijgt, vermoedelijk door schending van het ambtsgeheim door een ambtenaar wiens identiteit niet is vastgesteld, een vertrouwelijke notitie van een Zwitserse ambassadeur aan zijn regering in handen. De notitie houdt een advies in over de opstelling van de regering inzake zich in Zwitserland bevindende banktegoeden van Holocaust slachtoffers. Deze notitie noemt de wederpartij in de toe voeren onderhandelingen - onder meer het Joods Wereldcongres - 'tegenstanders' die 'niet te vertrouwen zijn'. Vervolgens publiceert klager in de Zürichse krant Sonntags-Zeitung uittreksels van de notitie en artikelen waarin hij melding maakt van eerdere 'diplomatieke blunders' van de ambassadeur, alsmede van diens 'bunkermentaliteit'. De Zwitserse Raad voor de Journalistiek oordeelt dat de wijze waarop klager de informatie openbaar heeft gemaakt, onverantwoordelijk was. Met name de sensationele toon van de berichtgeving en de onvolledigheid van de geboden informatie worden hem aangerekend. Klager wordt daarnaast strafrechtelijk veroordeeld tot een geldboete van € 476 wegens het openbaar maken van als vertrouwelijk aangemerkte staatsstukken.
EHRM (Grote Kamer): Om te bezien of het opleggen van de geldboete aan Stoll desalniettemin noodzakelijk was, dienen de aard van de betrokken belangen, de toetsingsmaatstaf van de nationale rechters, het gedrag van klager en de vraag of de opgelegde geldboete zelf proportioneel is, te worden beoordeeld. De Grote Kamer aanvaardt dat de informatie in kwestie bijdraagt aan het publieke debat, maar erkent ook de noodzaak van vertrouwelijkheid in de communicatie tussen diplomaten en hun regeringen. Klagers publicaties hadden de onderhandelingen kunnen schaden. De nationale rechter heeft een eigen afweging van de betrokken belangen kunnen maken en daarbij een juiste maatstaf gehanteerd. Immers, klager heeft delen van de ‘strategy paper’ geciteerd zonder daarbij de context weer te geven. De gekozen bewoordingen wekken daarbij de suggestie dat de ambassadeur er anti-Semitische gedachten op nahoudt. De lay-out van de artikelen en vooral de redactie van de kopteksten en subkoppen doen bovendien onvoldoende recht aan een belangrijk en serieus onderwerp als de Zwitserse banktegoeden. Tot slot acht de Grote Kamer de artikelen misleidend nu daarin onvoldoende inzicht wordt gegeven in het tijdverloop tussen het schrijven van de notitie (ruim vier weken eerder) en het verschijnen van de krantenartikelen. De Grote Kamer concludeert dat klager niet als hoofddoel had om het publiek te informeren over een onderwerp van algemeen belang, maar om de notitie van de ambassadeur tot onderwerp van een onnodig schandaal te maken.
De Grote Kamer oordeelt dat Zwitserland de toegekende margin of appreciation niet heeft overschreden. De veroordeling van Stoll tot betaling van de geldboete is proportioneel en derhalve is geen sprake van een schending van artikel 10 EVRM.
NJ
Document type Case note
Language Dutch
Permalink to this page
Back