Gebarentaalverwerving

Authors
Publication date 2008
Host editors
  • A. Baker
  • B. van den Bogaerde
  • R. Pfau
  • T. Schermer
Book title Gebarentaalwetenschap: een inleiding
ISBN
  • 9789077822333
Pages (from-to) 63-82
Publisher Deventer: Van Tricht
Organisations
  • Faculty of Humanities (FGw) - Amsterdam Institute for Humanities Research (AIHR) - Amsterdam Center for Language and Communication (ACLC)
Abstract
Kinderen die een gebarentaal leren, zijn zoals alle kinderen afhankelijk van een
goed taalaanbod. Het taalaanbod van dove ouders is zeer natuurlijk; horende
ouders van dove kinderen moeten veel moeite doen om de gebarentaal te leren en
aan hun kind door te geven. De omgeving is ook een belangrijke bron van taalaanbod
voor dove kinderen onder andere de crèche of school. Sommige dove mensen
krijgen alleen een gesproken taal aangeboden en leren deze met veel moeite. Ze
komen pas laat in aanraking met een gebarentaal: deze late learners bereiken
meestal slechts een relatief laag niveau in de gebarentaal. De fasen die kinderen
doorlopen in de verwerving van een gebarentaal zijn vergelijkbaar met die van
een gesproken taal. In de voortalige periode (0-1jaar) produceren dove kinderen
gebarenbrabbels en beginnen ze aandachtstrategieën te ontwikkelen door naar
de gesprekspartner te kijken. Ouders passen hun taalaanbod aan het niveau van
het kind aan door te herhalen en langzamer te gebaren. In de vroegtalige periode
(1-2;6) produceren kinderen referentiële gebaren. In de één-woord-fase groeit
deze categorie snel en komt overextensie voor. De fonologische ontwikkeling
laat zien dat motorisch moeilijke handvormen of bewegingen worden vervangen
door makkelijke (substituties). Vaak betekent dit dat een gebaar wordt gearticuleerd
door een lichaamsdeel dichter bij de romp (proximalisatie). Aan het eind
van deze fase combineren kinderen gebaren, maar ze gebaren voornamelijk nog
over het hier-en-nu. In de differentiatiefase (2;6-5) zijn algemene communicatievaardigheden
goed verworven en beginnen de kinderen specifieke grammaticale
aspecten te leren zoals niet-manuele elementen en het vervoegen van
werkwoordgebaren en het localiseren in de gebarenruimte; hierbij kan overgeneralisatie
voorkomen. In de voltooiingsfase wordt de woordenschat uitgebreid,
worden complexere structuren verder verworven en veel pragmatische functies
geleerd.
Sommige mensen leren een gebarentaal op latere leeftijd. Horende mensen
leren deze taal als een tweede taal. Het niveau dat zij kunnen bereiken is afhankelijk
van factoren zoals leeftijd, motivatie en taalgevoel. Daar leeftijd een belangrijke
rol speelt, wordt gesproken van een kritische periode voor de verwerving.
Specifieke aspecten van de grammatica zoals vervoeging van werkwoorden en
niet-manuele aspecten blijven moeilijk. Soms is er interferentie van de grammatica
van de gesproken taal en worden woorden simultaan uitgesproken met de
gebaren. Deze mengvorm kan als tussentaal gezien worden.
De meeste dove mensen zijn tweetalig - zij gebruiken een gebarentaal en een
gesproken taal. Soms leren kinderen beide talen tegelijk (simultane tweetaligheid)
of na elkaar (sequentiële tweetaligheid). De wijze waarop is sterk afhankelijk
van de leeftijd van diagnose van doofheid en de keuze van de ouders voor
gebarentaal. Bij sommige dove kinderen wordt de doofheid laat gediagnosticeerd.
Er bestaan vier verschillende groepen kinderen die tweetalig kunnen worden met
een gebarentaal en een gesproken taal: dove kinderen van dove ouders, horende
kinderen van dove ouders, dove kinderen van horende ouders en kinderen met
een cochleair implantaat (CI). Deze groepen kunnen sterk verschillen in hun
taalvaardigheid in beide talen.
Document type Chapter
Permalink to this page
Back