Gebarentaalverwerving
| Authors |
|
|---|---|
| Publication date | 2008 |
| Host editors |
|
| Book title | Gebarentaalwetenschap: een inleiding |
| ISBN |
|
| Pages (from-to) | 63-82 |
| Publisher | Deventer: Van Tricht |
| Organisations |
|
| Abstract |
Kinderen die een gebarentaal leren, zijn zoals alle kinderen afhankelijk van een
goed taalaanbod. Het taalaanbod van dove ouders is zeer natuurlijk; horende ouders van dove kinderen moeten veel moeite doen om de gebarentaal te leren en aan hun kind door te geven. De omgeving is ook een belangrijke bron van taalaanbod voor dove kinderen onder andere de crèche of school. Sommige dove mensen krijgen alleen een gesproken taal aangeboden en leren deze met veel moeite. Ze komen pas laat in aanraking met een gebarentaal: deze late learners bereiken meestal slechts een relatief laag niveau in de gebarentaal. De fasen die kinderen doorlopen in de verwerving van een gebarentaal zijn vergelijkbaar met die van een gesproken taal. In de voortalige periode (0-1jaar) produceren dove kinderen gebarenbrabbels en beginnen ze aandachtstrategieën te ontwikkelen door naar de gesprekspartner te kijken. Ouders passen hun taalaanbod aan het niveau van het kind aan door te herhalen en langzamer te gebaren. In de vroegtalige periode (1-2;6) produceren kinderen referentiële gebaren. In de één-woord-fase groeit deze categorie snel en komt overextensie voor. De fonologische ontwikkeling laat zien dat motorisch moeilijke handvormen of bewegingen worden vervangen door makkelijke (substituties). Vaak betekent dit dat een gebaar wordt gearticuleerd door een lichaamsdeel dichter bij de romp (proximalisatie). Aan het eind van deze fase combineren kinderen gebaren, maar ze gebaren voornamelijk nog over het hier-en-nu. In de differentiatiefase (2;6-5) zijn algemene communicatievaardigheden goed verworven en beginnen de kinderen specifieke grammaticale aspecten te leren zoals niet-manuele elementen en het vervoegen van werkwoordgebaren en het localiseren in de gebarenruimte; hierbij kan overgeneralisatie voorkomen. In de voltooiingsfase wordt de woordenschat uitgebreid, worden complexere structuren verder verworven en veel pragmatische functies geleerd. Sommige mensen leren een gebarentaal op latere leeftijd. Horende mensen leren deze taal als een tweede taal. Het niveau dat zij kunnen bereiken is afhankelijk van factoren zoals leeftijd, motivatie en taalgevoel. Daar leeftijd een belangrijke rol speelt, wordt gesproken van een kritische periode voor de verwerving. Specifieke aspecten van de grammatica zoals vervoeging van werkwoorden en niet-manuele aspecten blijven moeilijk. Soms is er interferentie van de grammatica van de gesproken taal en worden woorden simultaan uitgesproken met de gebaren. Deze mengvorm kan als tussentaal gezien worden. De meeste dove mensen zijn tweetalig - zij gebruiken een gebarentaal en een gesproken taal. Soms leren kinderen beide talen tegelijk (simultane tweetaligheid) of na elkaar (sequentiële tweetaligheid). De wijze waarop is sterk afhankelijk van de leeftijd van diagnose van doofheid en de keuze van de ouders voor gebarentaal. Bij sommige dove kinderen wordt de doofheid laat gediagnosticeerd. Er bestaan vier verschillende groepen kinderen die tweetalig kunnen worden met een gebarentaal en een gesproken taal: dove kinderen van dove ouders, horende kinderen van dove ouders, dove kinderen van horende ouders en kinderen met een cochleair implantaat (CI). Deze groepen kunnen sterk verschillen in hun taalvaardigheid in beide talen. |
| Document type | Chapter |
| Permalink to this page | |
