HR (11/00538, LJN BW7728: terbeschikkingstellingsregeling; jaar van afrekening bij beëindiging pacht met terugwerkende kracht)

Authors
Publication date 2013
Journal BNB : Beslissingen in Belastingzaken
Article number 158
Volume | Issue number 2013 | 15
Pages (from-to) 3259-3286
Organisations
  • Faculty of Economics and Business (FEB) - Amsterdam School of Economics Research Institute (ASE-RI)
Abstract
Belanghebbende (X2) heeft vanaf 1 oktober 1993 voor de duur van twaalf jaar de onroerende zaken behorend bij het landbouwbedrijf dat hij en zijn echtgenote met ingang van die datum in X1 BV hadden ingebracht, aan die BV verpacht. Belanghebbende houdt 60% van de aandelen in X1 BV, zijn echtgenote 40%. De verpachting wordt vanaf 1 januari 2001 aangemerkt als een terbeschikkingstelling. Per 1 januari 2003 heeft de BV (het resterende deel van) de onderneming overgedragen aan belanghebbende en zijn echtgenote, die de onderneming in maatschapsverband hebben voortgezet. Op 27 februari 2003 is de pachtovereenkomst met terugwerkende kracht tot 1 januari 2003 om niet beëindigd; de onroerende zaken behoren vanaf 1 januari 2003 tot het vermogen van de in maatschapsverband gedreven onderneming.
Belanghebbende heeft de onroerende zaken op zijn werkzaamhedenbalans per 1 januari 2001 geactiveerd voor de waarde in vrij opleverbare staat en ter zake van de beëindiging van de terbeschikkingstelling van de onroerende zaken voor het onderhavige jaar (2002) in zijn aangifte een boekverlies opgenomen. De Inspecteur is van opvatting dat de onroerende zaken op de werkzaamhedenbalans per 1 januari 2001 moeten worden geactiveerd voor de waarde in verpachte staat en concludeert tot een boekwinst per 31 december 2002 in verband met de beëindiging van de terbeschikkingstelling.
Voor het Hof was onder meer in geschil of deze (al dan niet negatieve) boekwinst in het onderhavige jaar (2002) of in 2003 in de heffing moet worden betrokken. Naar het oordeel van het Hof had belanghebbende daarin een keuze, maar moet hij worden gehouden aan zijn keuze voor 2002 omdat hij geen gronden aannemelijk heeft gemaakt die keuzeherziening rechtvaardigen. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de waarde van de onroerende zaken op de werkzaamhedenbalans per 1 januari 2001 moet worden gesteld op de waarde in verpachte staat. Het betoog van belanghebbende dat onzakelijk handelen van hem en de BV tot gevolg heeft gehad dat van enige waardedruk ten gevolge van de pachtovereenkomst geen sprake is geweest, wordt door het Hof verworpen.
HR: De omstandigheid dat de pachtovereenkomst op 27 februari 2003 is beëindigd, brengt mee dat de onroerende zaken tot die datum ter beschikking hebben gestaan van de BV. De ontbinding met terugwerkende kracht tot 1 januari 2003 kan de terbeschikkingstelling aan de BV niet ongedaan maken. De terbeschikkingstelling is derhalve in 2003 beëindigd; het daarbij behaalde resultaat kan dus alleen in dat jaar in aanmerking worden genomen.
De stelling van belanghebbende dat het Hof ten onrechte is uitgegaan van een waarde in verpachte staat van de onroerende zaken per 1 januari 2001 wordt verworpen met toepassing van art. 81 Wet RO.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00C335C3&cpid=WKNL-LTR-Navigator
Permalink to this page
Back