Towards the understanding and assessment of the adolescent's conscience
| Authors | |
|---|---|
| Supervisors |
|
| Cosupervisors | |
| Award date | 11-09-2026 |
| Number of pages | 199 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Het geweten vormt een complex en veelzijdig concept dat door de geschiedenis heen vanuit verschillende perspectieven is benaderd. Binnen de klinische praktijk, en in het bijzonder in de forensische jeugdpsychiatrie en -psychologie, speelt het geweten een centrale rol in het begrijpen en duiden van gedrag. Tegelijkertijd ontbreekt het vaak aan een gedeeld theoretisch kader en een systematische manier om het functioneren van het geweten bij adolescenten te beschrijven. Professionals zijn daardoor veelal aangewezen op impliciete kennis en klinische intuïtie, wat kan leiden tot variatie in beoordeling en besluitvorming.
Deze spanning wordt zichtbaar in situaties waarin adolescenten ogenschijnlijk tegenstrijdig functioneren: zij kunnen betrokken en empathisch zijn in bepaalde relaties, terwijl zij in andere contexten grensoverschrijdend gedrag vertonen. Dergelijke observaties roepen vragen op over de samenhang en stabiliteit van het geweten als psychologische functie. Ook in bredere maatschappelijke representaties van adolescentie, zoals in de Netflix serie Adolescence (2025), wordt dit spanningsveld zichtbaar, waarin kwetsbaarheid, loyaliteit en normoverschrijdend gedrag naast elkaar bestaan. Het illustreert hoe contextafhankelijk en gefragmenteerd de gewetensfunctie kan zijn. In dit proefschrift wordt het geweten benaderd vanuit het integratieve model van Schalkwijk, waarin het wordt opgevat als een dynamisch zelfregulerend systeem bestaande uit drie onderling samenhangende componenten: empathie, zelfbewuste emoties (zoals schuld en schaamte) en moreel redeneren. Deze benadering verplaatst de focus van het geweten als statische eigenschap naar een functioneel en relationeel proces dat is ingebed in de persoonlijkheid. Tegen deze achtergrond staat de volgende onderzoeksvraag centraal: kan het geweten van adolescenten op een theoretisch gefundeerde en klinisch bruikbare wijze worden geconceptualiseerd en beoordeeld binnen (forensische) geestelijke gezondheidszorg? Om deze vraag te beantwoorden, bestaat dit proefschrift uit vier empirische studies. In de eerste studie wordt onderzocht hoe ervaren professionals het geweten in de klinische praktijk beoordelen. De resultaten laten zien dat zij, vaak impliciet, gebruikmaken van een integratieve benadering waarin empathie, zelfbewuste emoties en moreel redeneren een centrale rol spelen. Deze bevindingen vormden de basis voor de ontwikkeling van een gestructureerd beoordelingsinstrument. In de daaropvolgende studies wordt de Clinical Assessment of Conscience (CAC) ontwikkeld en onderzocht. De CAC is opgezet als een instrument voor gestructureerde professionele oordeelsvorming (structured professional judgment), dat clinici ondersteunt bij het systematisch beschrijven van het gewetensfunctioneren. In tegenstelling tot normgerichte meetinstrumenten ligt de nadruk op het formuleren van een beschrijvende diagnose, waarin verschillende informatiebronnen worden geïntegreerd. De tweede studie richt zich op de psychometrische eigenschappen van de CAC. Zorgprofessionals beoordelen de componenten van het geweten van hun cliënt. Dit gebeurt beschrijvend per item en er wordt een score toegekend. Die scores worden gecorreleerd met de scores van zelfrapportages van adolescenten. Op speciaal geselecteerde vragenlijsten voor empathie, zelfbewuste emoties en moraliteit. De resultaten bieden onder meer ondersteuning voor de interne consistentie en de onderliggende driedimensionale structuur van het instrument. Er wordt samenhang gevonden tussen de klinische oordelen en de zelfrapportages: beoordeelde empathie hangt samen met beleefde empathie, beoordeelde zelfbewuste emoties met beleefde zelfbewust emoties en beoordeelde moraliteit met beleefde moraliteit. Toch wordt op item niveau ook ruis gezien: het onderscheid tussen affectieve en cognitieve empathie blijkt vooral een theoretische exercitie. Of bij zelfbewuste emoties wordt voornamelijk naar schaamtegevoeligheid gekeken en worden andere items hierin meegewogen. Het geeft een interessante kijk op welke aspecten de zorgprofessional laat meewegen in vergelijking met de vragenlijst resultaten van de adolescent. In de derde studie wordt de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de CAC onderzocht. Hierin wordt de zorgprofessional gevraagd om klinische vignetten te beoordelen aan de hand van de CAC. De resultaten laten zien dat, op domeinniveau, sprake is van een bevredigende mate van overeenstemming tussen beoordelaars. Vanzelfsprekend neemt de variatie op itemniveau toe maar wijst tegelijkertijd op het belang van verdere verfijning van de items en training van de zorgprofessional. De vierde studie onderzoekt de relatie tussen vroegkinderlijk trauma en de ontwikkeling van het geweten. De bevindingen suggereren dat traumatische ervaringen samenhangen met een minder geïntegreerd functioneren van empathie, zelfbewuste emoties en moreel redeneren. Met name vormen van emotionele verwaarlozing lijken hierin een rol te spelen. Deze resultaten ondersteunen het idee dat trauma niet alleen afzonderlijke componenten beïnvloedt, maar ook de samenwerking kan verstoren. Hiermee suggereren de studies dat het mogelijk is om het geweten op een meer systematische en gedeelde manier te benaderen, door het te conceptualiseren als een samenhangend systeem van empathie, zelfbewuste emoties en moreel redeneren. De kwalitatieve studie laat zien dat deze benadering niet alleen theoretisch, maar ook herkenbaar is in de impliciete werkwijzen van ervaren professionals. De ontwikkeling en eerste evaluatie van de CAC laten vervolgens zien dat deze dimensies op een gestructureerde manier kunnen worden beschreven en geordend. En biedt de CAC een mogelijke middenweg tussen intuïtieve klinische inschatting en gestandaardiseerde diagnostiek. Daarnaast geven de resultaten aanleiding om het geweten minder te beschouwen als een statische eigenschap, en meer als een dynamisch en contextgevoelig systeem, waarin vooral de mate van afstemming tussen componenten van belang lijkt. De bevindingen rondom trauma suggereren dat verstoringen in het geweten niet alleen zichtbaar zijn op het niveau van afzonderlijke functies, maar zich mogelijk juist manifesteren in de samenhang daartussen. Daarmee dragen de studies bij aan een perspectief waarin ogenschijnlijk tegenstrijdig gedrag – zoals empathisch functioneren in de ene context en normoverschrijding in een andere – beter begrepen kan worden als een uitdrukking van gefragmenteerd of ongelijk geïntegreerd gewetensfunctioneren. Tegelijkertijd blijven deze interpretaties voorlopig en vragen zij om verdere theoretische en empirische uitwerking. Gezamenlijk dragen deze studies bij aan een meer systematische en theoretisch onderbouwde benadering van gewetensdiagnostiek in de klinische praktijk en begrip van de adolescent. Tegelijkertijd vraagt de complexiteit en normativiteit van het concept geweten om terughoudendheid in interpretatie en toepassing. De CAC moet daarom niet worden opgevat als een definitief meetinstrument, maar als een hulpmiddel dat de gestructureerde reflectie en klinische oordeelsvorming van de zorgprofessional ondersteunt. De bevindingen in dit proefschrift hebben implicaties voor diagnostiek maar ook de behandeling. Door het geweten te benaderen als een dynamisch en ontwikkelbaar systeem, ontstaat ruimte voor interventies die gericht zijn op het versterken van de samenwerking tussen empathie, zelfbewuste emoties en moreel redeneren, bijvoorbeeld middels mentaliseren, in plaats van een nadruk op gedragscontrole. |
| Document type | PhD thesis |
| Language | English |
| Downloads | |
| Permalink to this page | |
