EHRM (rolnummer 59297/12: M.G. tegen Bulgarije)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2014 |
| Journal | EHRC. European Human Right Cases |
| Article number | 147 |
| Volume | Issue number | 2014 | 7 |
| Pages (from-to) | 390-391 |
| Organisations |
|
| Abstract |
M.G. ontvlucht Rusland in 2004 samen met zijn vrouw en drie kinderen nadat de Russische veiligheidsdienst FSB een grote hoeveelheid wapens in de kelder van zijn woning in Ingoesjetië heeft ontdekt. De Russische autoriteiten verdenken hem van wapenhandel en lidmaatschap van een gewapende jihadistische groepering. M.G. staat door Rusland internationaal gesignaleerd. Alle familieleden worden erkend als vluchteling in Polen. In december 2005 verhuist de familie naar Berlijn. De Duitse autoriteiten staan verblijf als vluchteling toe en verschaffen reispapieren. In juli 2012 reist de familie met de auto richting Turkije en wordt zij aan de Roemeens-Bulgaarse grens gecontroleerd. Na raadpleging van de Interpol-gegevensbank wordt M.G. gearresteerd. De Bulgaarse rechter in eerste aanleg blokkeert zijn uitlevering aan Rusland onder meer met verwijzing naar art. 78, lid 2 VWEU. Daarin staat dat de EU maatregelen vaststelt voor een uniforme asielstatus die in de hele Unie geldt. Het kantoor van de UNHCR en de Duitse ambassade in Sofia wijzen in de procedure op het rechtmatig verblijf van M.G. in Duitsland en Polen. Toch beveelt de Bulgaarse rechter in hoger beroep zijn uitlevering. De Bulgaarse wetgeving sluit volgens de hogerberoepsrechter slechts uitlevering uit van personen die in Bulgarije asiel genieten. Bovendien heeft de Russisch openbaar aanklager garanties afgegeven dat de uitlevering niet gebruikt zal worden om M.G. te vervolgen wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit of politieke overtuiging.
Het Hof stelt allereerst op basis van internationale rapporten en rapporten van Human Rights Watch vast dat er in Ingoesjetië nog steeds sprake is van een situatie van intern gewapend geweld en van een hoogst gevaarlijke en onzekere situatie. Het is in dat licht dat moet worden nagegaan of de individuele situatie van klager zodanig is dat bij uitlevering een reëel risico van onmenselijke behandeling of foltering bestaat. Daarbij neemt het Hof in acht dat klager niet voor niets asiel heeft verkregen in twee EU-lidstaten, al is dat in 2004-2005 geweest. Daarnaast is duidelijk dat klager in Rusland wordt gezocht vanwege zijn betrokkenheid bij terroristische activiteiten en dat de Russen daar zeer actief bij betrokken zijn, gelet ook op het arrestatiebevel en uitleveringsverzoek. Gelet op de bestaande gegevens is het zeer waarschijnlijk dat hij dan gedetineerd zal worden in de noordelijke Kaukasus, terwijl juist daar een zeer groot risico bestaat op foltering om bekentenissen en namen van ooggetuigen los te krijgen. Daarbij wijst het Hof ook op CPT-rapporten over dit onderwerp. Gelet op deze omstandigheden zou uitlevering een schending van art. 3 EVRM opleveren. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/opmaat/show.do?type=jurt&key=J83693 |
| Permalink to this page | |
