Hof Amsterdam (rolnr. 200.117.652/01, LJN CA1866: verknochtheid schulden, afwijking van verdeling bij helfte o.g.v. redelijkheid en billijkheid)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2013 |
| Journal | Jurisprudentie personen- en familierecht |
| Article number | 106 |
| Volume | Issue number | 2013 | 6 |
| Pages (from-to) | 609-613 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Deze zaak is het vervolg van het arrest van de Hoge Raad van 30 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749, NJ 2012, 407, m.nt. S.F.M. Wortmann, RFR 2012, 79, «JPF» 2012/126.
De feiten waren als volgt. Partijen, beiden met de Marokkaanse en de Nederlandse nationaliteit, gingen scheiden na een zeer kort huwelijk van een paar maanden. Zij hadden geen huwelijkse voorwaarden gemaakt. Partijen hebben nauwelijks samengewoond. Ter gelegenheid van de echtscheiding kwam de vrouw erachter dat de man aanzienlijke voorhuwelijkse schulden had. De man was van mening dat de vrouw voor de helft draagplichtig was voor deze schulden. De vrouw stelde zich op het standpunt dat deze schulden verknocht waren aan de man, dan wel dat zij op grond van de redelijkheid en billijkheid niet draagplichtig was voor deze schulden. Het is onduidelijk waarvoor de schulden zijn aangegaan; wellicht is er een huis in Marokko met het geld aangeschaft. De vrouw had diverse omstandigheden aangevoerd waarom deze schulden dusdanig verknocht moesten zijn dat ze geheel voor rekening van de man moesten komen. Het Hof ’s-Gravenhage, waar de zaak oorspronkelijk diende, had niet voldoende gekeken of deze omstandigheden konden leiden tot het oordeel dat de schulden verknocht waren, aldus de Hoge Raad, die de zaak doorverwees naar het Hof Amsterdam. Het Amsterdamse hof bekijkt de door de vrouw aangevoerde feiten en omstandigheden nogmaals. Van belang is: - dat tijdens het korte huwelijk van partijen niet of nauwelijks van samenwoning sprake is geweest en dat partijen in elk geval geen gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd; - dat de onderhavige schulden door de man voor het huwelijk zijn aangegaan; - dat zij daarvan eerst kennis heeft gekregen tijdens de echtscheidingsprocedure; - dat de stelling van de man dat met de uit de kredieten verkregen gelden onder meer de bruiloft van partijen is betaald, niet juist kan zijn; en - dat aannemelijk is dat de man, die geen behoorlijke verantwoording heeft afgelegd van de besteding van de uit de kredieten verkregen gelden, deze heeft aangewend voor de aankoop van auto’s of van onroerend goed in Marokko. Het hof vindt de door de vrouw genoemde feiten en omstandigheden zodanig uitzonderlijk dat zij een afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen dat in beginsel partijen alle schulden voor de helft moeten dragen. De redelijkheid en billijkheid brengen naar het oordeel van het hof met zich mee dat de vrouw in het kader van de verdeling niet draagplichtig is voor de schulden en dat de draagplicht van de door de man aangegane schulden geheel op de man dient te rusten. Dat betekent dat de schulden volledig door de man dienen te worden afgelost, zonder dat hij de helft van de aflossing kan verhalen op de vrouw. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JPF/2013/106 |
| Permalink to this page | |