HR (nr. 11/02952, LJN BX4018: Heffingsrecht over afwaardering vordering komt toe aan België)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2013 |
| Journal | NTFR. Nederlands Tijdschrift voor Fiscaal Recht |
| Article number | 522 |
| Volume | Issue number | 2013 | 11 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Belanghebbende woont in België. Hij is enig aandeelhouder van Beheer bv. Eind 2001 had belanghebbende een vordering op Beheer bv. Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB 2001 de vordering met € 726.048 afgewaardeerd en als (negatief) resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking genomen. Hof Den Haag zag geen grond voor afwaardering. In cassatie klaagt belanghebbende erover dat het hof ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de verdragsrechtelijke aspecten. De Hoge Raad besteedt die aandacht wel in het arrest. De Hoge Raad zet uiteen dat de afwaardering van een schuldvordering kan worden beschouwd als een ‘vervreemding’ voor de toepassing van art. 13, par. 4, Verdrag Nederland-België. Dit betekent dat het heffingsrecht over de afwaardering van de vordering op grond van het verdrag aan België is toegewezen. Het beroep van belanghebbende op de zogenoemde Schumacker-doctrine faalt reeds, omdat in het onderhavige geval geen sprake is van het weigeren van een belastingvoordeel dat in algemene zin verband houdt met de fiscale draagkracht.
(Cassatieberoep ongegrond.) |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://www.ndfr.nl/link/NTFR2013-522 |
| Permalink to this page | |