De heffing van overdrachtsbelasting en de verkrijging van participaties in vastgoedfondsen
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2015 |
| Journal | Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie |
| Volume | Issue number | 146 | 7060 |
| Pages (from-to) | 398-405 |
| Number of pages | 8 |
| Organisations |
|
| Abstract |
In deze bijdrage sta ik stil bij de heffing van overdrachtsbelasting indien een belegger een of meer participaties in vastgoedfondsen verkrijgt. Met een vastgoedfonds doel ik op een niet-rechtspersoonlijkheid bezittende beleggingsinstelling, zoals een personenvennootschap of een ander contractueel of fiduciair arrangement. Een verkrijging van een participatie in een vastgoedfonds wordt sinds 2014 exclusief geregeerd door art. 2 WBR. Dat is het onderwerp van mijn bijdrage in dit themanummer. Rozendal bespreekt op een andere plaats in dit nummer de verkrijging van een aandeel in een rechtspersoon, zoals een beleggingsmaatschappij die als naamloze vennootschap is georganiseerd. Dan is art. 4 WBR van toepassing. Mijn bespreking beperkt zich echter tot de behandeling van de regeling van art. 2, lid 2 e.v. WBR. De achtergrond van deze regeling is overigens de reparatie van Scheepjeshof-arrest, waarin de Hoge Raad oordeelde dat bij samenloop tussen art. 2 en 4 WBR de laatstgenoemde voorgaat. Met de aanpassing in 2014 is dat niet langer het geval: art. 2 WBR regelt de verkrijgt van participaties in vastgoedfondsen thans exclusief.
|
| Document type | Article |
| Language | Dutch |
| Published at | http://notariaat.sdu.nl/algemeen/document?id=g-IMPRWPNR-20150470607 |
| Permalink to this page | |