EHRM (rolnummer 49327/11: Gough tegen Verenigd koninkrijk)

Open Access
Authors
Publication date 2015
Journal EHRC. European Human Right Cases
Article number 31
Volume | Issue number 2015 | 2
Pages (from-to) 98-101
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Institute for Information Law (IViR)
Abstract
Stephen Gough, de klager, heeft de vaste overtuiging dat het menselijk lichaam niet aanstootgevend is. Die overtuiging brengt hij tot uitdrukking door in het openbaar naakt te zijn. In 2003 besluit hij naakt van het uiterste zuiden van Engeland naar het noorden van Schotland te lopen. Zijn pogingen om de hele tocht te volbrengen stranden echter in Schotland waar hij om reden van zijn naaktheid meermalen wordt gearresteerd wegens verstoring van de openbare orde (‘breach of the peace’). Na een eerste waarschuwing is er sprake van een aaneenschakeling van in lengte oplopende gevangenisstraffen. Veelal wordt de klager vrijwel onmiddellijk na vrijlating weer opgepakt, omdat hij wederom in het openbaar naakt is. Daarnaast zijn er straffen wegens ‘contempt of court’, nu de klager ook naakt voor de rechter pleegt te verschijnen. In de gevangenis mag hij niet meedoen aan gemeenschappelijke activiteiten omdat hij weigert zich te kleden.

Een eerste klacht ingediend bij het Hof, gedateerd 29 juli 2011, is gericht tegen een veroordeling uit 2009. Deze klacht is niet-ontvankelijk omdat na uitputting van de nationale rechtsmiddelen een periode van meer dan zes maanden is verstreken. In een tweede schrijven gedateerd 20 december 2011 richt klager zich echter ook tegen de veroordeling van 24 augustus 2011 tot een gevangenisstraf van 330 dagen voor verstoring van de openbare orde en 90 dagen voor ‘contempt of court’, nog aangevuld met meer dan 200 dagen van vorige straffen, die niet volledig waren uitgezeten. Deze klacht is wel ontvankelijk.

Het verzoekschrift klaagt over de schending van een reeks verdragsbepalingen, nl. de art. 5, 6, 7, 8, 9, 10, 13, en 14 van het Verdrag en de art. 2 en 4 van het Zevende Protocol. Het Hof besteedt de meeste aandacht aan de klacht op grond van art. 10 EVRM. Na enige overwegingen (zie ook noot) komt het Hof tot de conclusie dat het in het openbaar naakt zijn van klager binnen de reikwijdte van art. 10 EVRM valt. De beperking voldoet echter aan de clausulering in het tweede lid. In de eerste plaats is de inmenging bij wet voorzien nu redelijkerwijs is te voorzien welk gedrag als verstoring van de openbare orde is aan te merken, gelet op de uitwerking van de delictsomschrijving in de nationale jurisprudentie.

In de tweede plaats accepteert het Hof dat het legitieme doel het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten was. Weliswaar zien de maatregelen in het bijzonder op het voorkomen van aanstoot en schrik bij het publiek, en zijn ernstige gevolgen niet aangetoond, de maatregelen dienen volgens het Hof ook het bredere doel om meer in het algemeen respect voor het recht te verzekeren. De inmenging voldoet volgens het Hof ook aan het vereiste ‘noodzakelijk in een democratische samenleving’. In de algemene overwegingen te dien aanzien wijst het Hof op het belang van het maatschappelijk debat en op de afweging die gemaakt moet worden tussen de zienswijze van de meerderheid en de denkbeelden van minderheden. De staat zal soms ook afwijkend gedrag moeten tolereren, voor zover dat niet per se in strijd is met de democratische waarden.

In casu is het Hof bereid aan te nemen dat de vraag naar de aanvaardbaarheid van openbare naaktheid een zaak van publiek belang is. De klager mag dus proberen daarover een debat te entameren. Publieke naaktheid is tegelijkertijd een kwestie van moraal en openbare orde. Bij inmengingen te dien aanzien bestaat er een relatief ruime appreciatiemarge. Gegeven die marge acht het Hof het voorstelbaar dat het beschermen van het publiek tegen aanstoot en schrik tot maatregelen noopte.

Daarbij is het weliswaar schrijnend dat klager een aanzienlijke periode in de gevangenis heeft doorgebracht voor wat op zichzelf een betrekkelijk triviaal strafbaar feit is, maar dat is in het bijzonder ook te wijten aan zijn eigen halsstarrigheid.

Ten aanzien van art. 8 EVRM is het Hof niet geneigd aan te nemen dat het gedrag van klager binnen de reikwijdte valt. Mocht dat wel worden aangenomen dan is een inmenging in overeenstemming met de Conventie om de redenen genoemd bij de uiteenzetting ten aanzien van art. 10 EVRM. De klacht onder art. 9 EVRM kan kort worden afgedaan, nu deze niet is onderbouwd. Ten aanzien van de klachten over de behandelng tijdens de gevangenhouding ten slotte geldt dat deze niet ontvankelijk zijn, omdat de nationale rechtsmiddelen niet zijn uitgeput.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2015/31
Downloads
A.J. Nieuwenhuis - Noot EHRM Gough vs VK (Final published version)
509988 (Final published version)
Permalink to this page
Back