Psycholinguïstiek
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2008 |
| Host editors |
|
| Book title | Gebarentaalwetenschap: een inleiding |
| ISBN |
|
| Pages (from-to) | 43-62 |
| Publisher | Deventer: Van Tricht |
| Organisations |
|
| Abstract |
De psycholinguïstiek houdt zich bezig met het bestuderen van taalgedrag van
mensen. Interessant is daarbij de vraag of en in welke mate modaliteit invloed heeft op de wijze waarop taal functioneert in de hersenen. Door te kijken naar taalstoornissen als gevolg van een hersenbeschadiging komen we meer te weten over waar taal in de hersenen gelocaliseerd is. Er zijn twee hersenhelften: de linker- en rechterhersenhelft, ook wel de linker- en rechterhemisfeer genoemd. Voor de meeste mensen, doof en horend, rechts- en linkshandig blijkt de linkerhemisfeer in grote lijnen gespecialiseerd te zijn voor taal. Een beschadiging in het gebied van Broca heeft problemen met taalproductie tot gevolg, terwijl een beschadiging in het gebied van Wernicke vooral leidt tot problemen met taalbegrip maar ook tot lexicale substituties. De rechterhemisfeer speelt echter ook een rol met name op discourse niveau. Er is wel een verschil tussen dove en horende afatici en dat heeft te maken met de rol die de rechterhemisfeer speelt bij het verwerken van ruimtelijke relaties en de verschillen tussen extrapersonal space en intrapersonal space. Onderzoek naar taalbegrip kan inzicht geven in de wijze waarop mensen taal begrijpen. Spraakgeluid is een continu signaal en klanken zijn ook variabel. Dit geldt ook voor gebarentalen. Interessant is de vraag op welke manier de gebaarder een gebaar herkent: moet hij het hele gebaar zien of is de handvorm al genoeg? Uit onderzoek blijkt dat met name de beweging heel bepalend is voor de herkenning van een gebaar. Daarnaast speelt ook de context een rol. Onderzoek naar de manier waarop taal in de hersenen wordt opgeslagen heeft geleid tot verschillende theorieën over het werkgeheugen. Onderzoekers hebben zich vooral op één model gebaseerd, het multiple-componentmodel. Voor de vergelijking met gebarentalen is vooral de fonologische lus interessant. Dit is het onderdeel waar fonologisch materiaal tijdelijk wordt opgeslagen. Gebarentaalgebruikers slaan informatie op in de vorm van gebaren. Dit is vastgesteld aan de hand van onderzoek naar fouten die dove gebarentaalgebruikers maken bij het onthouden en reproduceren van gebaren. Er is dan ook een met de fonologische lus vergelijkbare visuo-spatiële lus. Net als gesprokentaalgebruikers hebben gebarentaalgebruikers moeite met het onthouden van lexemen die fonologisch erg op elkaar lijken. Er is een verschil tussen horende en dove mensen als het gaat om de capaciteit van het werkgeheugen: gebaarders kunnen minder items onthouden dan sprekers. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat het articuleren van een woord minder tijd kost dan het maken van een gebaar. De relatie tussen de vorm en de betekenis van een woord is over het algemeen willekeurig of arbitrair. Bij gebaren is er echter meer sprake van een relatie tussen de vorm en betekenis: er zijn iconische gebaren naast arbitraire gebaren. Sommige iconische gebaren zijn transparant: de relatie tussen vorm en betekenis is heel erg duidelijk. Uit psycholinguïstisch onderzoek naar de rol van iconiciteit blijkt dat iconische gebaren niet makkelijker te herkennen zijn dan arbitraire gebaren, maar wel makkelijker te onthouden als je de betekenis eenmaal weet. Onderzoek naar versprekingen geeft inzicht in het proces van taalproductie. Slips of the hand laten zien hoe gebarentaalproductie verloopt en welke eenheden relevant zijn. Eerst worden lemma’s uit het mentale lexicon gehaald. Hierbij kunnen semantische substituties optreden. Wanneer de geselecteerde lemma’s tot een grammaticale zin gecombineerd worden kunnen anticipaties, perseveraties en verwisselingen optreden. Pas in een volgende stap worden de juiste fonologische vormen, de lexemen, uit het fonologische lexicon gehaald. Als bij de selectie van een lexeem iets mis gaat, dan hebben we te maken met een fonologische substitutie. Net als lemma’s kunnen ook fonologische elementen geanticipeerd, gepersevereerd en verwisseld worden. Bovendien kunnen adjacente gebaren versmelten. Tenslotte wordt in het taalproductieproces instructie gegeven aan de articulatieorganen om de uiting te articuleren. Hierbij zijn assimilatieprocessen te constateren. |
| Document type | Chapter |
| Permalink to this page | |
