HR (rolnr. 10/05467, LJN BV6689: niet-uitgevoerd verrekenbeding, finaal als-of verrekenbeding, overgangsrecht laesio enormis, dwaling)

Authors
Publication date 2013
Journal Jurisprudentie personen- en familierecht
Article number 103
Volume | Issue number 2013 | 6
Pages (from-to) 569-596
Organisations
  • Faculty of Law (FdR)
Abstract
Partijen waren gehuwd op huwelijkse voorwaarden, inhoudende een combinatie tussen een periodiek verrekenbeding (dat nooit is uitgevoerd) en een finaal verrekenbeding dat bepaalde dat bij echtscheiding moest worden verrekend alsof er een gemeenschap van goederen is. Na 22 jaar gingen partijen scheiden. In de echtscheidingsconvenanten waren partijen een verrekening overeengekomen die uitging van een bepaalde waardering van de onderneming van de man, zonder dat deze waardering door een deskundige was vastgesteld.

De verrekening heeft in 1998 plaatsgevonden, derhalve vóór 1 september 2002 (de datum inwerkingtreding van de Wet verrekenbedingen). De vrouw beroept zich - analoog aan art. 1:135 BW jo. 3:196 BW en 3:199 BW - op de laesio enormis aangezien zij voor meer dan een kwart is benadeeld. Als de waarde van de onderneming juist was geschat, dan had zij een verrekenvordering voor ongeveer het dubbele bedrag gehad, aldus de vrouw.

Het hof was ervan uitgegaan, volgens de Hoge Raad terecht, dat art. 3:196 BW en art. 3:199 BW niet van toepassing zijn op de in het convenant besloten verdeling, nu dat convenant tot stand is gekomen vóór 1 september 2002 (vgl. HR 1 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AT4544, NJ 2008/166). Vervolgens heeft het hof overwogen dat - hoewel art. 3:196 lid 1 BW niet rechtstreeks van toepassing is - ook hier moet worden aangenomen dat de vrouw omtrent de waarde van een of meer van de te verdelen goederen en schulden heeft gedwaald omdat het bewijsvermoeden van art. 3:196 lid 2 BW in het onderhavige geval, waarin de vordering van de vrouw is gebaseerd op dwaling bij het aangaan van het convenant voor 1 september 2002, overeenkomstig van toepassing zou zijn. De Hoge Raad is het daar niet mee eens: de gewone dwalingsregeling van art. 6:228 BW is hier van toepassing.

Voorts bepaalt de Hoge Raad dat het hof ten onrechte uitsluitend de kwesties van de verrekening van de bedrijven, de woning en de effectendepots heeft beoordeeld, terwijl het de resterende punten (inboedel, boot, lening, pensioen en stamrecht) na verkregen nadere inlichtingen van partijen later zou beoordelen. Het hof heeft volgens de Hoge Raad daarmee miskend dat het had moeten oordelen of de vrouw door de convenanten als geheel was benadeeld, dan wel over de inhoud daarvan had gedwaald, en niet per vermogenscategorie. In ieder geval heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat de waarde van de bedrijven te laag is ingeschat en dat de man daarom het waardeverschil dient bij te passen, terwijl het, na de vaststelling dat de woning voor een te hoog bedrag in de verrekening is gebracht, daaraan geen consequenties heeft verbonden.

Aangezien de gewone dwalingsregeling van toepassing is, had het hof bij de beoordeling van de vorderingen van de vrouw mede dienen te betrekken of de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten. Deze vraag kon in het onderhavige geval, waarin de gestelde dwaling betrekking heeft op de waarde van de tot de fictieve algehele gemeenschap behorende goederen, slechts worden beantwoord door de waarde van alle tot die gemeenschap behorende activa en passiva in onderling verband en samenhang te beoordelen. Het hof heeft dit miskend.

Wat betreft de ingangsdatum van de wettelijke rente bepaalt de Hoge Raad dat in een geval als het onderhavige - waarin de huwelijkse voorwaarden zowel een finaal als een periodiek verrekenbeding bevatten en het ervoor moet worden gehouden dat een vordering van één van de partijen uit hoofde van het finale verrekenbeding tevens ziet op niet-nageleefde periodieke verrekeningen - het verzuim op de voet van art. 6:83 aanhef en onder a BW, aanstonds en zonder ingebrekestelling optreedt op het moment waarop de vordering uit hoofde van het finale verrekenbeding volgens de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden opeisbaar wordt (vgl. HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU6591, NJ 2012/173, r.o. 3.7).
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JPF/2013/103
Permalink to this page
Back