Rb. Utrecht (rolnummer 297281/FA RK 10-7238, LJN BX4241: IPR-huwelijksvermogensrecht, koude uitsluiting, jaren apart wonen, afwijking op grond van redelijkheid en billijkheid)

Authors
Publication date 2012
Journal Jurisprudentie personen- en familierecht
Article number 153
Volume | Issue number 2012 | 8
Pages (from-to) 773-778
Organisations
  • Faculty of Law (FdR)
Abstract
Partijen zijn in 1960 in Duitsland gehuwd. Aldaar zijn huwelijkse voorwaarden opgemaakt bij een Duitse notaris, inhoudende koude uitsluiting. Volgens het Haags huwelijksgevolgenverdrag 1905 is Nederlands huwelijksvermogensrecht van toepassing.

Partijen waren koude uitsluiting overeengekomen, aldus de man, om de huizen van partijen te beschermen voor aanspraken van de zakelijke crediteuren van de man. De huizen zijn op naam van de vrouw gesteld. Verder hebben partijen altijd geleefd alsof er gemeenschap van goederen zou gelden. De vrouw had ook altijd toegang tot de inkomsten van de man die zij mocht gebruiken. De vrouw stelt dat zij zich de werking van de huwelijkse voorwaarden niet realiseerde bij aanvang van het huwelijk en dat zij er later ook niet echt over heeft nagedacht waarom de huizen op haar naam zouden zijn gesteld. Eerst nadat het huwelijk niet zo goed bleek als zij dacht, is zij daarover gaan nadenken. Partijen zijn apart gaan wonen in februari 1991, maar de man wilde de financiële situatie uit liefde voor de vrouw niet veranderen. De vrouw bleef toegang hebben tot zijn bankrekeningen en van de inkomsten van de man, hebben de man, de vrouw en de kinderen geleefd. Partijen hanteerden een traditioneel rollenpatroon. Op 16 november 2011 is de echtscheiding uitgesproken.

De rechtbank is van oordeel ten aanzien van het huwelijksgoederenregime, dat de Duitse huwelijkse voorwaarden naar Nederlands recht moeten worden beoordeeld.

De rechtbank overweegt "dat de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden het uitgangspunt zijn bij de financiële afwikkeling van de gevolgen van het ontbonden huwelijk van partijen. Naar vaste rechtspraak heeft echter te gelden dat een krachtens een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden tussen partijen geldende regel niet toepasselijk is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, waarbij zeer wel belang kan worden gehecht aan onderling overeenstemmend gedrag tijdens het huwelijk, ook als dat gedrag afweek van de huwelijkse voorwaarden (Hoge Raad 18 juni 2004, LJN AO7004). De man heeft hierop een beroep gedaan en de rechtbank acht dat beroep gegrond. Immers uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank genoegzaam gebleken dat partijen inderdaad gedurende hun vijftig jaar durende huwelijk op bestendige wijze hebben geleefd als ware zij in gemeenschap van goederen gehuwd en aldus volledig hebben afgeweken van de inhoud en strekking van de tussen hen geldende huwelijkse voorwaarden. Dat daarbij het woonhuis en de grond op naam van de vrouw zijn gesteld, doet daar niet aan af, nu de vrouw ter terechtzitting heeft verklaard dat zij eerst nadat haar bleek dat haar huwelijk niet zo goed was, bedacht dat er een bijzondere reden ten grondslag lag aan het op haar naam doen stellen van het woonhuis en de grond. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat partijen dit onderling overeenstemmende gedrag ook gedurende de twintig jaar waarin zij reeds gescheiden leefden hebben voortgezet zonder enige vorm van overleg. De rechtbank is dan ook met de man van oordeel dat gegeven voorgaande weergave van het zeer langdurige bestendige gedrag van partijen - dat er op neer komt dat partijen hebben geleefd als ware zij in algehele gemeenschap van goederen gehuwd - de toepasselijkheid van de tussen hen in de huwelijkse voorwaarden overeengekomen uitsluiting van elke goederengemeenschap in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid inderdaad onaanvaardbaar is. De rechtbank verbindt aan het voorgaande het gevolg dat de huwelijkse voorwaarden moeten worden afgewikkeld als ware partijen in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. De rechtbank neemt dit dan ook tot uitgangspunt bij de beoordeling van het voorliggende geschil."

Om deze reden is er geen plaats voor de leer van de vergoedingsrechten ten aanzien van goederen wier waarde in de verrekening moet worden betrokken.

Als peildatum wordt daarbij aangehouden de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is uitgesproken omdat vast staat dat tot die datum partijen hun financiële verhouding ongewijzigd hadden gelaten.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JPF/2012/153
Permalink to this page
Back