Hoge Raad (Niet-afgerekend periodiek verrekenbeding, Verrekening van opgepotte bedrijfswinsten, Formele en feitelijke zeggenschap)

Authors
Publication date 2009
Journal Jurisprudentie personen- en familierecht
Article number 63
Volume | Issue number 2009 | 5
Pages (from-to) 300-
Organisations
  • Faculty of Law (FdR)
Abstract
Partijen waren in 1991 gehuwd onder uitsluiting van iedere gemeenschap met een verrekenbeding van de overgespaarde inkomsten. In geschil is de vraag of opgepotte ondernemingswinsten ook voor verrekening in aanmerking komen.

De man had in 1994, eveneens als ieder van zijn twee broers, een derde van de certificaten van de aandelen in A-BV gekocht staande huwelijk. Sinds 1996 bestaat het bestuur van de Stichting Administratiekantoor die houder is van de aandelen, uit de drie broers. Besluiten van de vergadering van certificaathouders en besluiten van de directie van de BV moeten worden genomen met volstrekte meerderheid van stemmen. In de statuten van de stichting is bepaald dat steeds zodanig behoorlijk dividend op de aandelen in de vennootschap zal worden uitgekeerd als verantwoord is met inachtneming van de continuïteit van de vennootschap.

De drie broers vormen gezamenlijk de directie van de BV en de man is belast met de financiële zaken van de BV. In 1996 tot en met 2001 is er geen dividend op de certificaten uitgekeerd, terwijl de BV gemiddeld een winst had van ongeveer € 90.000,=.

Hij is uit dienst van de BV getreden in 2002 en hij ontvangt sindsdien geen salaris meer van de BV.

Partijen hebben nooit afgerekend overeenkomstig de huwelijkse voorwaarden. Zij zijn gescheiden in 2004.

In geschil bij het hof was de vraag of de opgepotte bedrijfswinsten voor verrekening in aanmerking komen. Het hof heeft geoordeeld dat er geen plaats is voor verrekening nu de man als certificaathouder van een derde van de certificaten en ook een derde van de stemmen heeft in het bestuur van de stichting, zodat niet is voldaan aan het vereiste van overwegende zeggenschap over de uitkering van die winsten in de zin van art. 1:141 lid 4 BW.

De klacht richt zich tegen het zuiver getalsmatige criterium dat het hof hiervoor aanlegt. In werkelijkheid kunnen immers de machtsverhoudingen anders liggen.

De Hoge Raad oordeelt dat de klacht miskent dat het hof niet alleen heeft geoordeeld op basis van de getalsmatige verhoudingen maar dat niet voldoende is onderbouwd en ook overigens niet aannemelijk is geworden dat de man wel feitelijke zeggenschap had over het al dan niet uitkeren van de bedrijfswinsten
Document type Case note
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JPF/2009/63
Permalink to this page
Back