EHRM (nr 39311/05: [Karakó/Hongarije])
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2009 |
| Journal | Nederlandse Jurisprudentie |
| Article number | 522 |
| Volume | Issue number | 2009 | 46 |
| Pages (from-to) | 5162-5167 |
| Organisations |
|
| Abstract |
In 2002 heeft Karakó zich verkiesbaar gesteld voor het Hongaars parlement. Voorafgaand aan de tweede verkiezingsronde is in zijn kiesdistrict een pamflet verspreid waarin beweerd wordt dat Karakó regelmatig tegen de belangen van zijn district zou hebben gestemd. Karakó doet aangifte wegens smaad, maar het openbaar ministerie besluit niet te vervolgen. Hof: Het recht op reputatie is een zelfstandig door art. 8 EVRM beschermd recht dat positieve verplichtingen voor de staat meebrengt. In dit verband is tenminste vereist dat er een effectief rechtssysteem bestaat waarbinnen de bescherming van privacyrechten kan verzekeren. Het Hongaarse rechtssysteem voldoet in zichzelf aan deze eis.
In zaken waarbij een vermeende schending van art. 8 EVRM is veroorzaakt door een meningsuiting, moet de door de staat te bieden bescherming worden uitgelegd met inachtneming van de verplichtingen van de staat onder art. 10 EVRM (vrijheid van meningsuiting). Volgens de rechtspraak van het EHRM moet onderscheid worden gemaakt tussen persoonlijke integriteit en reputatie. Reputatie hangt primair samen met financiële belangen en sociale status. Externe beoordeling is hierbij bepalend. In het voorliggende geval heeft Karakó niet aangetoond dat de publicatie een dusdanig ernstige inbreuk op zijn privéleven maakte, dat zijn persoonlijke integriteit daardoor zou zijn aangetast. Het Hof stelt dan ook vast dat in het voorliggende geval enkel de reputatie van Karakó in het geding was. Het Hof stelt vast dat art. 10 lid 2 EVRM erkent dat de vrijheid van meningsuiting mag worden beperkt om reputatie te beschermen. Persoonlijke integriteit kan een grond zijn voor beperking van de vrijheid van meningsuiting, zolang deze beperking proportioneel is. De Hongaarse rechter heeft in zijn beoordeling mee laten wegen dat Karakó een politicus is, dat hij actief is in het publieke leven, dat de uitlating is gedaan tijdens een verkiezingscampagne waarin hij kandidaat stond en dat het pamflet een negatief oordeel gaf over zijn publieke activiteiten. Deze beoordeling is in overeenstemming met de standaarden gesteld door het EVRM. Een beperking van de vrijheid van meningsuiting ten behoeve van de bescherming van Karakó's reputatie zou disproportioneel zijn onder art. 10 EVRM. Geen schending art. 8 EVRM. NJ |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://www.ivir.nl/publicaties/dommering/Annotatie_NJ_2009_46_522.pdf |
| Permalink to this page | |