EHRM (37374/05: [Társaság a Szabadságjogokért tegen Hongarije])

Authors
Publication date 2009
Journal EHRC. European Human Right Cases
Article number 74
Volume | Issue number 2009 | 10-7
Pages (from-to) 808-815
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Institute for Information Law (IViR)
Abstract
Klaagster is een vereniging die zich inzet voor de bescherming van mensenrechten. In maart 2004 heeft een lid van het Hongaarse parlement een verzoekschrift ingediend bij het Hongaarse Constitutionele Hof om enkele wijzigingen van het Wetboek van Strafrecht ongrondwettig te verklaren. De omstreden wetsbepalingen bevatten een beperking van de strafbaarheid van bepaalde vormen van drugsgebruik. Klaagster is voorstander van terugdringing van het strafrecht en wil graag een maatschappelijke discussie bevorderen. Zij vraagt het Constitutionele Hof inzage te geven in het verzoekschrift, maar dit wordt afgewezen. Het Constitutionele Hof motiveert de afwijzing met het argument dat een verzoekschrift dat nog in behandeling is, alleen openbaar kan worden gemaakt met toestemming van de indiener. Als het Constitutionele Hof later de aangevochten bepalingen inderdaad ongrondwettig verklaart, wordt in het arrest een korte samenvatting van het verzoekschrift opgenomen. Voor klaagster is dat echter niet voldoende. Zij vraagt een gewone rechtbank het Constitutionele Hof te veroordelen het originele document alsnog te verstrekken. Die procedure heeft geen succes, ook niet in hoger beroep. Het Hof van Beroep beslist in hoogste instantie dat het gaat om persoonsgegevens die niet kunnen worden verstrekt zonder toestemming van de betrokkene. Ook het subsidiaire verzoek om het document te doen verstrekken na verwijdering van eventuele persoonlijke gegevens wordt door het Hof van Beroep afgewezen.

In Straatsburg klaagt de vereniging dat haar recht om inlichtingen en denkbeelden te ontvangen en door te geven is geschonden. De Hongaarse regering bestrijdt niet dat art. 10 EVRM is beperkt, maar acht de beperking gerechtvaardigd krachtens het tweede lid. Het Hof gaat uitvoeriger in op de vraag of sprake is van een beperking. Het stelt voorop dat het publiek er recht op heeft geïnformeerd te worden over zaken van algemeen belang. De pers speelt een rol als ‘watchdog’. Maatregelen van de overheid die deelname van de pers aan het publieke debat ontmoedigen zijn zeer verdacht, ook als het gaat om maatregelen die alleen de toegang tot informatie bemoeilijken. Willekeurige beperkingen van de vrijheid van nieuwsgaring kunnen indirect censuur opleveren. Journalisten zijn echter niet de enigen die een forum voor het publieke debat creëren. Maatschappelijke organisaties zoals klaagster doen dat ook. Een vergelijkbare bescherming als voor de pers is dus op haar plaats. Vervolgens overweegt het Hof dat een poging een wet buiten werking te stellen ongetwijfeld een zaak van algemeen belang betreft, zeker als die poging wordt gedaan door een parlementariër. Het informatiemonopolie van het Constitutionele Hof leidde in casu tot een vorm van censuur. Er was duidelijk sprake van een beperking van de rechten van klaagster krachtens art. 10.

Wat betreft de vraag of de beperking voldoet aan de criteria van art. 10, tweede lid, stelt het Hof vast dat de beperking bij de wet is voorzien en gericht is op het legitieme doel de rechten van anderen te beschermen. De maatregel is echter niet noodzakelijk in een democratische samenleving. Het Hof herhaalt zijn eerdere jurisprudentie dat het moeilijk is uit het EVRM een algemeen recht op toegang tot bestuurlijke gegevens en documenten af te leiden. Daar staat tegenover dat het Hof in een recente uitspraak een ruimere invulling heeft gegeven aan de vrijheid ‘inlichtingen te ontvangen’ en zo een stap heeft gezet in de richting van openbaarheid van bestuur.

In deze zaak gaat het niet om de vraag of een algemeen recht op openbaarheid van bestuur moet worden toegestaan, maar om een belemmering van het functioneren van een ‘social watchdog’. Het Hof herinnert eraan dat het informatiemonopolie van het Constitutionele Hof een vorm van censuur mogelijk maakte. Het is zeer onwaarschijnlijk dat het verzoek van de politicus de betwiste wetsartikelen ongrondwettig te verklaren verwijzingen bevatte naar zijn persoonlijke leven. Bovendien zou het fataal zijn voor het publieke debat over politieke aangelegenheden wanneer politici de pers aan banden zouden kunnen leggen door te stellen dat hun opvattingen persoonsgegevens vormen die alleen openbaar mogen worden gemaakt met hun toestemming. Het belang van klaagster het publiek goed te kunnen voorlichten over een zaak van algemeen belang weegt zwaarder dan het belang de persoonsgegevens van het parlementslid te beschermen. Unaniem oordeelt het Hof dat art. 10 is geschonden.
Document type Case note
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2009/74
Permalink to this page
Back