Enkelvoudige zinnen

Authors
Publication date 2008
Host editors
  • A. Baker
  • B. van den Bogaerde
  • R. Pfau
  • T. Schermer
Book title Gebarentaalwetenschap: een inleiding
ISBN
  • 9789077822333
Pages (from-to) 120-144
Publisher Deventer: Van Tricht
Organisations
  • Faculty of Humanities (FGw) - Amsterdam Institute for Humanities Research (AIHR) - Amsterdam Center for Language and Communication (ACLC)
Abstract
Gebaren kunnen in een zin verschillende functies vervullen; ze kunnen als predicaat, argument en adjunct fungeren. Als adjectieven of naamwoorden de functie van predicaat vervullen spreken we van adjectivische en nominale predicaten.
Predicaten verschillen van elkaar wat betreft hun valentie: ze kunnen intransitief, transitief of ditransitief zijn. Soms is er in bepaalde constructies (bijvoorbeeld in reciproke constructies) sprake van valentiereductie. Verder kunnen constituenten in een zin verschillende semantische (zoals Agens en Patiens) en grammaticale (zoals subject en object) rollen hebben. Gebaren worden niet willekeurig in een zin gecombineerd. Zowel op zinsniveau als op constituentniveau zijn er duidelijke, taalspecifieke volgorderegels.
Op zinsniveau kan de gebarenvolgorde door twee factoren beïnvloed worden: ten eerste of het om een transitieve of een locatieve zin gaat en ten tweede of de constituenten vanuit een semantisch oogpunt omkeerbaar of niet-omkeerbaar
zijn. Locatieve zinnen worden meestal volgens het figuur-achtergrond principe geconstrueerd. Ook de informatiestatus van een constituent kan invloed hebben op de volgorde. Topics bijvoorbeeld verschijnen zinsinitiaal en worden nietmanueel gemarkeerd. Binnen nominale constituenten kunnen modificerende elementen voor of achter het naamwoord verschijnen. Een index kan binnen een nominale constituent verschillende functies vervullen.
Ook bij de onderscheiding van verschillende zinstypen zijn niet-manuele markeerders belangrijk. Ja/nee-vragen en vraagwoordvragen (wh-vragen) worden door verschillende posities van de wenkbrauwen gemarkeerd. Dit is te vergelijken met vraagintonatie in gesproken talen. Verder maken sommige gebarentalen gebruik van manuele vraagpartikels. Gebarentalen verschillen van elkaar wat betreft de omvang van hun vraaggebaar-paradigma. Verder vinden we interessante modaliteitsspecifieke patronen: vraaggebaren verschijnen vaak in zinsfinale positie en in sommige gebarentalen is vraaggebaar-verdubbeling
mogelijk. In imperatieve zinnen spelen gezichtsuitdrukking en lichaamshouding
een centrale rol. Om ontkenning te realiseren maken vele gebarentalen gebruik
van manuele ontkenningspartikels en van hoofdschudden. We vinden echter
ook interessante typologische variatie. Gebarentalen verschillen bijvoorbeeld
van elkaar wat betreft de positie van de partikel en de exacte positie van het
hoofdschudden. Bevestiging van een zin kan door hoofdknikken uitgedrukt
worden. Ontkenning en bevestiging worden samengevat onder het begrip polariteit
van een zin.
Pronominalisatie wordt in gebarentalen door middel van wijsgebaren gerealiseerd.
Deze wijsgebaren verwijzen naar de feitelijke locatie van een referent of
naar een voor een afwezige referent gecreëerde locatie. Op grond van het feit dat
gebarentaalpronomina deictisch van aard zijn is er nauwelijks sprake van ambiguïteit
van pronomina. Onder bepaalde omstandigheden is pro-drop mogelijk.
Bovendien kan kopie van het subjectpronomen, mogelijk in combinatie met
pro-drop, invloed op de gebarenvolgorde op zinsniveau hebben.
Document type Chapter
Language Dutch
Permalink to this page
Back