'Leugens tegen de geschiedenis'? Keuzeproblemen bij herstel van torens in de twintigste eeuw
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2021 |
| Journal | Bulletin (KNOB) |
| Volume | Issue number | 120 | 2 |
| Pages (from-to) | 20-40 |
| Number of pages | 21 |
| Organisations |
|
| Abstract |
In de twintigste eeuw werd een groot aantal monumentale torens en torenbekroningen door brand, storm of oorlogsgeweld zo zwaar gehavend dat zich de vraag voordeed of, en zo ja hoe, die herbouwd dienden te worden. Moest dat in de exacte vorm van vóór de verwoesting, of moest naar een andere oplossing gezocht worden? Verdiende in het laatste geval de terugkeer naar een (vermeende) eerdere oerversie de voorkeur boven iets nieuws? En moest in het laatste geval voor eigentijdse architectuur gekozen worden, of was een meer historiserende vormentaal gewenst?
In hoeverre werd de richtlijn die het Rijksbureau voor de Monumentenzorg in 1917 had omarmd, en die omwille van de historische eerlijkheid aanvulling in eigentijdse bouwstijl voorschreef, in de praktijk daadwerkelijk nagevolgd? Ter plaatse wilde men vaak herstel van de oude toestand, en dat is in een aantal gevallen uiteindelijk gebeurd. In dit artikel wordt, aan de hand van een twintigtal voorbeelden, voor het eerst bekeken of er in de keuzes een lijn te ontdekken valt. Speciaal het vijftal uitgeschreven torenprijsvragen (voor het stadhuis van Leiden en voor beeldbepalende kerktorens in Arnhem, Zutphen, Hulst en Weert) is daarbij van belang, omdat daar in het program van eisen specifieke wensen konden worden geformuleerd, er vervolgens uit een reeks van inzendingen moest worden gekozen, en de jury haar preferenties openlijk moest beargumenteren. De noodzaak tot herbouw stond steeds bij voorbaat vast, ook al had, als door oorlogsgeweld ook de kerk in puin lag, deze niet de grootste prioriteit. Geheel middeleeuwse torens, zoals die van de Martinikerk in Doesburg, hadden de meeste kans om in oude vorm te worden hersteld. Bezat een gotische toren een bekroning in renaissancistische, barokke of classicistische vorm, dan speelde een esthetisch oordeel vaak een rol bij de keuze: de torenbekroning van de Stevenskerk van Nijmegen werd karakteristiek geacht, die van de Eusebiuskerk in Arnhem niet. Bij de Abdijtoren in Middelburg werd de barokbekroning in hoofdlijnen hersteld, maar aangepast aan de vereisten van een groter carillon. In de praktijk blijkt dan de grens in het midden van de zeventiende eeuw te liggen; latere bekroningen werden al snel te onbeduidend bevonden. Neogotische spitsen op gotische torens maakten altijd plaats voor iets anders. Dat kon soms een (al dan niet vrije) reconstructie van een oudere bekroning in renaissance- of baroktrant zijn, zoals bij de Christoffelkathedraal in Roermond; in andere gevallen een moderne, geheel nieuwe, zoals bij de St. Willibrord in Hulst, of een enigszins historiserende, zoals bij de St. Martinus in Weert. Ook zonder oorlogsschade werd de gietijzeren spits van de Jacobskerk in Den Haag ingeruild voor een torenhelm die teruggreep op de oorspronkelijke uit de zestiende eeuw. Eén mogelijkheid werd bij gotische torens nergens daadwerkelijk beproefd: een reconstructie van de oorspronkelijke (naald)spits; omdat die nooit was gerealiseerd, of omdat reconstructie bij gebrek aan betrouwbare gegevens onmogelijk was. Alleen in het geval van de Walburgiskerk in Zutphen passeerde deze mogelijkheid de revue, maar uiteindelijk werd de afgebrande peperbus toch herbouwd. |
| Document type | Article |
| Language | Dutch |
| Published at | https://doi.org/10.48003/knob.120.2021.2.716 |
| Downloads |
judithfraune,+Thomas+von+der+Dunk
(Final published version)
|
| Permalink to this page | |