HR (Civiele kamer) (zaaknr. 13/04192: De Jonge/Scheper Ziekenhuis)

Authors
Publication date 2015
Journal Rechtspraak Aansprakelijkheids- en Verzekeringsrecht
Article number 1
Volume | Issue number 2015 | 1
Pages (from-to) 1-13
Organisations
  • Faculty of Law (FdR)
Abstract
De echtgenote van eiser in cassatie (de weduwnaar) is in het ziekenhuis overleden ten gevolge van complicaties na de bevalling van haar tweede zoon. De weduwnaar en Van Dort Letselschade B.V. (Van Dort) sluiten een no-cure-no-pay-schaderegelingsovereenkomst. Van Dort zal als honorarium 15% van de schade-uitkering ontvangen. Indien geen resultaat wordt behaald, ontvangt Van Dort geen honorarium.
Van Dort stelt het Ziekenhuis met succes aansprakelijk. Hij ontvangt als honorarium € 33.750 (15% van € 225.000) via verrekening met de schade-uitkering. Het Ziekenhuis betaalt als redelijke kosten van rechtsbijstand in totaal € 20.000.
De weduwnaar betoogt zowel pro se als q.q. dat de tussen hem en Van Dort overeengekomen vergoeding van 15% van de schade-uitkering het uitgangspunt moet zijn bij de beoordeling van de redelijkheid van de hoogte van de gevorderde buitengerechtelijke kosten. Rechtbank en hof wijzen de vordering af. Zij nemen niet de no-cure-no-pay-afspraak tot uitgangspunt maar het aantal door Van Dort gewerkte uren , de aard van de verrichte werkzaamheden en het gehanteerde uurtarief.
HR: Redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid alsmede ter verkrijging van voldoening buiten rechte komen op de voet van art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b en c, BW als vermogensschade in aanmerking voor vergoeding door de aansprakelijke partij (Parl. Gesch. Boek 6, p. 337). De vergoeding strekt ertoe de benadeelde te laten verkeren in de vermogenspositie waarin hij zonder de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis zou hebben verkeerd.
De tekst en de strekking van art. 6:96 lid 2 BW stellen geen eisen aan de wijze van berekening van de buitengerechtelijke kosten. Uit de parlementaire geschiedenis is niet af te leiden dat is beoogd kosten uit te sluiten van vergoeding indien deze zijn gemaakt op basis van een no-cure-no-pay-afspraak.
De vraag in hoeverre de kosten die de benadeelde aldus heeft gemaakt voor vergoeding in aanmerking komen, dient te worden beantwoord aan de hand van de maatstaf van art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b en c, BW met inachtneming van alle omstandigheden.
Het hof is ten onrechte niet ingegaan op de door de weduwnaar aangevoerde omstandigheden van het geval. Als het hof dit niet heeft gedaan omdat het van oordeel was dat dit artikel geen grondslag biedt voor een kostenberekening op basis van een no-cure-no-pay-overeenkomst, is het van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. Als het hof hiertoe onvoldoende grond aanwezig achtte, is dit oordeel onvoldoende gemotiveerd. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst naar het Hof Den Haag.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00C85F94&cpid=WKNL-LTR-Navigator
Permalink to this page
Back