Hof 's-Hertogenbosch (rolnummer HV 200.113.168/01: niet-uitgevoerd periodiek verrekenbeding, verrekening woning met spaarhypotheek op naam man, redelijkheid en billijkheid)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2014 |
| Journal | Jurisprudentie personen- en familierecht |
| Article number | 4 |
| Volume | Issue number | 2014 | 1 |
| Pages (from-to) | 30-32 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Partijen waren tussen 1986 en 2012 gehuwd op huwelijkse voorwaarden inhoudende scheiding van goederen en een periodiek verrekenbeding ten aanzien van hun netto inkomen, dat nooit is uitgevoerd.
Thans resteert nog een geschil ten aanzien van de afrekening van de echtelijke woning die in 1996 op naam van de man werd verkregen. De woning is intussen verkocht en de overwaarde is aan de man uitbetaald. Vast staat dat de overwaarde is ontstaan door de algemene stijging van de huizenprijzen en niet is veroorzaakt door investeringen aan de woning. Partijen verschillen van mening over de vraag of en zo ja tot welk bedrag de overwaarde van de woning in de verrekening betrokken dient te worden. De vrouw heeft gesteld dat de keuze voor zowel de huwelijkse voorwaarden als de tenaamstelling van de echtelijke woning uitsluitend ingegeven is door het feit dat er mogelijk sprake was van schulden voortkomende uit haar eerste huwelijk. De bedoeling van partijen was dan ook nadrukkelijk de bescherming van het vermogen tegen derden. De vrouw is er altijd van uitgegaan dat een eventuele overwaarde van de woning gemeenschappelijk bezit zou zijn. De vrouw wijst er verder nog op dat partijen gedurende enige tijd getracht hebben om de gevolgen van hun voorgenomen echtscheiding in onderling overleg te regelen en dat in dat kader een concept convenant opgesteld is waar evenzeer uitgegaan is van de verdeling bij helfte van de overwaarde van de echtelijke woning. De man voert aan dat hij kan meegaan in de stelling van de vrouw dat de overwaarde van de woning tot het opgebouwde vermogen dient te worden gerekend, voor zover het aan de zijde van de vrouw opgebouwde vermogen tussen partijen wordt verdeeld. Blijkens zijn stellingen is de man van mening dat er aan de zijde van de vrouw sprake is van vermogensgroei, omdat zij nooit is aangesproken voor de aan haar kant (mogelijk) bestaande schulden uit haar eerste huwelijk tot een bedrag van ƒ 500.000,=. Het hof kan de man in deze stelling niet volgen. Immers gezien art. 8 van de huwelijkse voorwaarden ziet het periodiek verrekenbeding op overgespaard netto-inkomen en wordt onder netto inkomen verstaan het inkomen onder aftrek van de daarover verschuldigde belasting op inkomen, premieheffing-volksverzekering en andere wettelijke inhoudingen of heffingen (art. 5 van de huwelijkse voorwaarden). Daarvan is in de situatie van de vrouw geen sprake geweest. Het hof is van oordeel dat het niet aanvaardbaar is indien de vrouw niet zou kunnen meedelen in de opbrengst van de woning. Het hof neemt hierbij in overweging dat de aankoop van de woning volledig is gefinancierd met hypothecaire leningen ten name van beide partijen, dat met overgespaard inkomen een polis levensverzekering is bekostigd die bedoeld was om te worden gebruikt voor de aflossingen van de hypothecaire leningen en dat uit het verhandelde ter terechtzitting kan worden opgemaakt dat de woning uitsluitend slechts op naam van één van de echtgenoten is gesteld teneinde eventueel verhaal van schuldeisers op de woning te beperken. Het hof zal derhalve bepalen dat de helft van de opbrengst van de echtelijke woning aan de vrouw toekomt. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JPF/2014/4 |
| Permalink to this page | |