EHRM (9146/07, 32650/07: Harkins en Edwards / Verenigd Koninkrijk)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2012 |
| Journal | EHRC. European Human Right Cases |
| Article number | 62 |
| Volume | Issue number | 2012 | 4 |
| Pages (from-to) | 694-711 |
| Organisations |
|
| Abstract |
In 2000 werd de eerste klager, Harkins, gearresteerd op verdenking van moord en poging tot beroving in Florida. De openbare aanklager gaf aanvankelijk aan dat hij de doodstraf zou eisen, maar trok dat vervolgens weer in. Nadat Harkins op borgtocht was vrijgelaten, werd hij in januari 2003 in het Verenigd Koninkrijk gearresteerd na een auto-ongeval. De Amerikaanse autoriteiten dienden in maart 2003 een uitleveringsverzoek in en gaven desgevraagd garanties dat er geen intentie was om de doodstraf op te leggen, maar dat de openbare aanklager om een levenslange gevangenisstraf zou verzoeken. Harkins ging in beroep tegen het voornemen tot uitlevering, stellende dat een levenslange gevangenisstraf in de weg zou staan aan uitlevering, gelet op de waarborgen van art. 3 EVRM (verbod van onmenselijke en vernederende behandeling). De Britse staatssecretaris achtte dit beroep niet overtuigend, nu er geen aanwijzingen waren dat het systeem tot ernstig onevenredige (‘grossly disproportionate’) straffen zou leiden. Het Britse High Court bevestigde dit. De tweede klager, Edwards, werd in 2006 in Maryland (Verenigde Staten) in staat van beschuldiging gesteld wegens elf misdrijven, waaronder moord, poging tot moord en zware mishandeling. Edwards werd in 2007 in het Verenigd Koninkrijk aangehouden, waarna de Britse staatssecretaris, na verkrijging van de garantie dat de doodstraf niet zou worden opgelegd, bevestigde dat Edwards kon worden uitgeleverd aan de VS met het oog op zijn berechting. Dit oordeel werd bevestigd door het High Court.
Harkins en Edwards dienen een klacht in bij het Hof , waarbij zij stellen dat uitlevering vanuit het Verenigd Koninkrijk naar de Verenigde Staten een risico zou opleveren van het opleggen van de doodstraf of van levenslange gevangenisstraf zonder mogelijkheid van vervroegde vrijlating, in strijd met het in art. 3 EVRM neergelegde verbod van onmenselijke en vernederende behandeling. Met betrekking tot de beweerdelijk dreigende doodstraf, stelt het Hof dat de garanties voldoende duidelijk en ondubbelzinnig zijn om het risico dat de doodstraf toch zal worden opgelegd te kunnen uitsluiten. Art. 3 EVRM staat op dit punt dus niet in de weg aan uitlevering. In relatie tot de beoordeling van (mogelijke) schending van art. 3 EVRM in de context van uitzetting en uitlevering bevestigt het Hof eerder ingenomen, compromisloze standpunten. Allereerst wenst het Hof bij de beoordeling van het risico van behandeling in strijd met art. 3 EVRM bij uitzetting geen onderscheid te maken tussen een risico van foltering en een risico van andere vormen van onmenselijke en vernederende behandeling. Voorts laat art. 3 volgens het Hof geen ruimte voor een belangenafweging. Het gaat er uitsluitend om of er een reëel risico bestaat op een behandeling in strijd met art. 3. Tenslotte geldt deze absolute benadering ongeacht de vraag of een zaak betrekking heeft op uitzetting, uitlevering of andere vormen van verwijdering. Hoewel dit nog niet betekent dat de beoordeling van overheidsoptreden in het licht van art. 3 EVRM in extraterritoriale situaties in alle gevallen geheel gelijk staat aan toetsing van overheidsoptreden binnen een EVRM-staat, legt het Hof bij levenslange vrijheidsstraffen toch gelijke maatstaven aan. In het bijzonder gaat het Hof na of de levenslange vrijheidsstraf ‘ernstig disproportioneel is’ omdat er met de strafoplegging geen redelijk strafdoel meer gediend kan worden (zie de overwegingen van het Hof in de zaak Vinter e.a. t. Verenigd Koninkrijk, EHRM 17 januari 2012, nrs. 66069/09, 130/10, 3896/10, «EHRC» 2012/65). Toetsend aan deze maatstaven, komt het Hof in het specifieke geval van Harkins en Edwards tot de volgende slotsom. Harkins ziet bij veroordeling een verplichte levenslange gevangenisstraf zonder mogelijkheid van vervroegde vrijlating tegemoet. Het Hof oordeelt echter dat dit in zijn situatie geen ernstig disproportionele straf oplevert. Harkins is niet minderjarig en er zijn geen andere kennelijk verzachtende omstandigheden die tot een lagere inschatting van zijn schuld moeten leiden. Op dit moment is het evenmin al mogelijk om aan te nemen dat er geen enkel penologisch doel met de straf zou zijn gediend, zodat ook op die grond niet kan worden aangenomen dat art. 3 EVRM aan uitlevering in de weg staat. Edwards ziet ten hoogste een door de rechter discretionair op te leggen levenslange gevangenisstraf tegemoet. Dit levert geen ernstig disproportionele straf op. Evenmin zijn er redenen om aan te nemen dat zo’n straf geen enkel legitiem penologisch doel zou dienen, zodat er ook in zijn geval geen belemmeringen bestaan voor uitlevering onder art. 3 EVRM. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2012/62 |
| Permalink to this page | |