Rb. Overijssel, loc. Almelo (rolnr. C/08/139912/HA ZA 13-247: opnemen convenant in echtscheidingsbeschikking, geen gevolgen voor aantastbaarheid convenant)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2014 |
| Journal | Jurisprudentie personen- en familierecht |
| Article number | 108 |
| Volume | Issue number | 2014 | 6 |
| Pages (from-to) | 642-650 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Partijen waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, onder meer inhoudende een verrekenbeding. Partijen hebben de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijk geregeld in een echtscheidingsconvenant dat als opgenomen moet worden beschouwd in de echtscheidingsbeschikking. Die beschikking uit 2007 is intussen in gezag van gewijsde gegaan. Thans wil de vrouw de afspraken rond de afwikkeling aantasten. Daarbij rijst onder meer de vraag wat het gevolg is van het ‘als opgenomen moeten worden beschouwd’ zijn van het convenant. Verder beroept de vrouw zich nog op verschillende wilsgebreken bij de totstandkoming van het convenant, onder andere op de laesio enormis. Ook is zij van mening dat de man bij de totstandkoming van het convenant onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld.
De rechtbank oordeelt omtrent de eerste vraag - onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof ’s-Hertogenbosch van 19 juni 2012 (ECLI:NL:GHSHE:2012:BW9156) - als volgt: Indien de rechter in een (echtscheidings)beschikking bepaalt dat het convenant als in de beschikking opgenomen wordt beschouwd, dan moet in beginsel worden aangenomen dat die veroordeling geen verdere strekking heeft dan om partijen een executoriale titel te verschaffen teneinde zo nodig de nakoming van de overeenkomst in rechte af te dwingen. Dat brengt mee dat de overeenkomst tussen partijen door de rechterlijke uitspraak onverlet wordt gelaten. Dit is slechts anders indien uit de rechterlijke uitspraak van een verdergaande strekking blijkt. Het feit dat de echtscheidingsbeschikking inmiddels gezag van gewijsde heeft gekregen, betekent niet dat na vernietiging van de regeling uit het convenant, de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap niet meer door de rechter kan worden vastgesteld. De rechtbank heeft bij echtscheidingsbeschikking niet beslist ten aanzien van een geschil tussen partijen, maar heeft slechts opgenomen in de beschikking wat partijen zelf zijn overeengekomen. Art. 236 Rv ziet in zoverre niet op de ‘als opgenomen beschouwde’ onderlinge vermogensrechtelijke regeling uit het convenant. Wat betreft het beroep op dwaling wegens benadeling (laesio enormis) overweegt de rechtbank dat deze actie intussen is vervallen. De vervaltermijn van art. 3:200 BW is begonnen te lopen op het moment dat partijen tot verrekening zijn overgegaan door vastlegging daarvan in hun echtscheidingsconvenant, te weten 20 augustus 2007. Nu sinds 20 augustus 2007 reeds meer dan drie jaren zijn verstreken, is de rechtsvordering tot vernietiging op grond van art. 3:196 BW komen te vervallen, zo oordeelt de rechtbank. Het beroep van de vrouw ten aanzien van andere wilsgebreken bij de totstandkoming alsmede haar beroep op het feit dat de man jegens haar een onrechtmatige daad zou hebben gepleegd, wordt afgewezen, aangezien de daarvoor vereiste feiten niet zijn bewezen. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JPF/2014/108 |
| Permalink to this page | |