[Bespreking van: J.K. Nelson (2012) What made Freud laugh: an attachment perspective on laughter]

Authors
Publication date 2013
Journal Tijdschrift voor Psychotherapie
Volume | Issue number 39 | 3
Pages (from-to) 211-212
Organisations
  • Faculty of Social and Behavioural Sciences (FMG) - Psychology Research Institute (PsyRes)
Abstract
Tijdens het lezen van ’What made Freud laugh’ moest ik terugdenken aan een ervaring jaren geleden, toen ik een hulpverlener in behandeling had. Ik was een net afgestudeerde psycholoog, zij was ongeveer dertig jaar ouder, had een burn-out en kwam, verwezen door de bedrijfsarts, met frisse tegenzin op het intakegesprek. Daar maakte ze duidelijk dat wij collega’s waren en dat ze niet erg hoge verwachtingen had van ons contact. Geen gemakkelijke start. De therapie verliep echter snel en voorspoedig. Toen we afscheid namen, vertelde ze spontaan dat ze het zo plezierig had gevonden dat er regelmatig gelachen werd tijdens de sessies: ‘Dat maakte het allemaal wat minder zwaar.’
Nelson, onderzoeker en werkzaam in de klinische praktijk, beschrijft in haar boek helder wat de rol van lachen kan zijn in relaties, waaronder de therapeutische relatie. Samen lachen schept een band; de motor voor elk therapeutisch contact. Daarnaast maakt lachen het, door het aanboren van positieve emoties, voor cliënten makkelijker om zware emoties als angst en somberheid te tolereren en exploreren. In haar boek beschrijft zij echter meer functies van lachen. Zo helpt het ons om spelenderwijs onze omgeving te ontdekken, is iemand toelachen een belangrijke manier om te laten zien dat het veilig is om ons te benaderen, kan lachen verzoenend werken bij potentiële agressie en kan zelfspot helpen verhoudingen gelijkwaardiger te maken. Maar zij beschrijft ook het ‘weglachen’ van verdriet, verlies en angsten, en lachen als vorm van gedissocieerde angst.
Document type Book/Film/Article/Exhibition review
Language Dutch
Published at https://doi.org/10.1007/s12485-013-0038-0
Permalink to this page
Back