EHRM (24147/11: I. / Nederland)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2012 |
| Journal | EHRC. European Human Right Cases |
| Article number | 51 |
| Volume | Issue number | 2012 | 3 |
| Pages (from-to) | 554-559 |
| Organisations |
|
| Abstract |
De Afghaanse man I. vraagt in 1999 samen met zijn vrouw en kinderen asiel aan in Nederland. Zijn claim wordt afgewezen op grond van de uitsluitingsgronden als geformuleerd in art. 1F Vluchtelingenverdrag 1951. Volgens art. 1F komen asielzoekers ten aanzien van wie ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat zij een internationaal misdrijf (een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de mensheid) of een ernstig niet-politiek misdrijf buiten het land van toevlucht hebben begaan, of die zich schuldig hebben gemaakt aan handelingen die in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties, niet in aanmerking voor een vluchtelingenstatus. De minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (nu: minister voor Immigratie, Integratie en Asiel) is tot deze beslissing gekomen op basis van de eigen verklaringen van I., die lange tijd officier is geweest in de Khadimat-e Atal’at-e Dowlati/Wezarat-e Amniyat-e Dowlati (‘KhAD/WAD’) - de inlichtingendienst van het voormalige communistische regime in Afghanistan. I. is ook actief geweest, eerst als kolonel maar later in de rang van generaal, voor de inlichtingendienst van de Junbish-e-Milli-militia, die belangrijke delen van Afghanistan bestuurde tot de taliban aan de macht kwam. De minister baseert zich ook op algemene en individuele ambtsverklaringen over Afghanistan waarin informatie over de Junbish-e-Milli-militia is opgenomen. Zo zou deze militia verantwoordelijk zijn voor het op grote schaal schenden van mensenrechten en het plegen van oorlogsmisdaden. Daarnaast stelt het algemene ambtsbericht over Afghanistan van het ministerie van Buitenlandse Zaken uit 2000 dat art. 1F tegengeworpen kan worden aan iedere Afghaanse staatsburger die tenminste de rang van derde luitenant had onder de KhAD/WAD, omdat alle officieren en onderofficieren geacht worden werkzaam te zijn geweest in ‘macabere’ afdelingen van de KhAD/WAD en bovendien geacht worden persoonlijk betrokken te zijn geweest bij het arresteren, ondervragen, martelen en soms zelfs executeren van verdachte personen.
I. komt door de tegenwerping van art. 1F niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Het Vreemdelingenbesluit 2000 stelt daarnaast in art. 3.107 dat in een dergelijk geval tevens geen verblijfsvergunning kan worden verleend op basis van één van de overige gronden voor asiel genoemd in art. 29 van de Vreemdelingenwet 2000, waaronder gegronde redenen om aan te nemen dat er een reëel risico is om te worden onderworpen aan marteling of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing bij uitzetting (de codificatie van art. 3 EVRM). I. wordt vervolgens ongewenst verklaard, wat onder andere tot gevolg heeft dat verblijf in Nederland een strafbaar feit is (art. 197 Wetboek van Strafrecht). De minister besluit echter tegelijkertijd dat I. ingevolge art. 3 EVRM niet kan worden uitgezet naar Afghanistan, vanwege een reëel risico op behandeling in strijd met dat artikel. I. dient in april 2011 een klacht in bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Hij stelt dat door de ongewenstverklaring zijn familie vanwege het huisvesten van een illegale vreemdeling wordt bestraft met het ontzeggen van verschillende fiscale voordelen - zoals de zorg-, huur- en kindertoeslag - en de beperking van sociale uitkeringen. Deze ontzegging vloeit voort uit het koppelingsbeginsel (art. 10 Vreemdelingenwet), op grond waarvan vreemdelingen die niet legaal in Nederland verblijven géén aanspraak kunnen maken op allerlei voorzieningen. Voorts wordt van I. verwacht dat hij zelfstandig vertrekt naar een ander land dan Afghanistan, maar volgens I. is dit onmogelijk omdat geen enkel land hem vanwege zijn 1F-status zou verwelkomen. Hij stelt derhalve in een patstelling te verkeren waarin hij niet wordt toegelaten tot Nederland noch Nederland wordt uitgezet, maar hij bovendien niet in staat is Nederland zelf te verlaten. Deze situatie - naast een eventuele uitzetting naar Afghanistan - is in strijd met art. 3 EVRM, aldus I. Voorts is I. van mening dat art. 8 EVRM wordt geschonden omdat hem een verblijf in Nederland met zijn familie wordt ontzegd. Tot slot baseert I. zich op art. 13 EVRM, in samenspraak met art. 3 en art. 8 EVRM, door te stellen dat omdat het besluit om art. 1F hem tegen te werpen (deels) gebaseerd is op een algemeen ambtsbericht, hij geen effectieve remedie heeft zoals vereist door art. 13 EVRM. In de nationale procedure erkent de minister, en later de rechtbank in Den Haag, dat de ongewenstverklaring inderdaad inbreuk maakt op art. 8(1) EVRM, maar beiden oordelen dat het algemeen belang zwaarder weegt dan het individuele belang van I. In de nationale procedure wordt niet erkend dat er sprake is van een inbreuk op art. 3 EVRM. Het obstakel dat ten grondslag ligt aan art. 3 is niet van een ‘voortdurende aard’: er is geen sprake van een situatie waarin de vreemdeling voor lange tijd (tenminste 10 jaar) niet verwijderd kan worden vanwege art. 3 EVRM redenen, waarbij bovendien de vreemdeling, ondanks voldoende inspanning om te voldoen aan de verplichting om Nederland te verlaten, zich niet kan hervestigen in een derde land. De Nederlandse autoriteiten menen dat die hervestiging wel degelijk plaats kan vinden. Het Hof verwerpt de klacht onder art. 3 EVRM. Het Hof overweegt dat Nederland op dit moment geen intentie heeft om de klager effectief uit te zetten naar Afghanistan. Mocht dit wel aan de orde zijn, dan kan I. hiertegen rechtsmiddelen instellen. Ook is het Hof van oordeel dat de leefomstandigheden van I. niet vergelijkbaar zijn met die van de verzoeker in de zaak M.S.S. (EHRM 21 januari 2011, nr. 30696/09, «EHRC» 2011/42 m.nt. Woltjer): er is geen sprake van een situatie waarin I. ‘[…] was wholly dependent on State support [and] found herself faced with official indifference in a situation of serious deprivation or want incomaptible with human dignity’ (par. 253) of van ‘ill-treatment [that attains] a minimum level of severity’ (par. 219). Van de gewraakte handelingen genoemd in art. 3 EVRM is derhalve geen sprake in Nederland. Aangezien I. (nog) niet wordt teruggestuurd naar Afghanistan is eventuele behandeling die in strijd is met art. 3 EVRM aldaar irrelevant. Evenmin is er volgens het Hof reden om aan te nemen dat art. 13 EVRM in samenspraak met art. 3 en art. 8 is geschonden. De zaak wordt voorlopig geschorst wat betreft de klacht inzake art. 8 EVRM om zo conform Regel 54(3)(b) van ‘s Hofs Reglement de Nederlandse overheid te vragen schriftelijke vragen te beantwoorden over de ontvankelijkheid van deze klacht. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2012/51 |
| Downloads |
370814.pdf
(Final published version)
|
| Permalink to this page | |