EHRM (52077/10: S.F. / Zweden)

Authors
Publication date 2012
Journal EHRC. European Human Right Cases
Article number 153
Volume | Issue number 2012 | 8
Pages (from-to) 1873-1878
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Amsterdam Center for International Law (ACIL)
Abstract
Verzoekers zijn een echtpaar dat in 2007 uit Iran naar Zweden is gevlucht en daar asiel heeft aangevraagd. De man, een Koerd, stelt in Iran actief te zijn geweest voor de Koerdische oppositiepartij KDPI. Tijdens de asielprocedure zet het echtpaar zich steeds actiever in voor de Koerdische beweging. De vrouw werkt onder meer voor een in Iran verboden Koerdisch televisiekanaal en wordt later woordvoeder van een comité dat zich inzet voor Koerdische gevangenen in Iran. Het echtpaar is verder actief op internet. Het asielverzoek wordt afgewezen vanwege een gebrek aan geloofwaardigheid en omdat de activiteiten in Iran van een te laag profiel waren om de interesse van de Iraanse autoriteiten te wekken. De in Zweden ontplooide activiteiten maken dat niet anders. De Zweedse migratierechter verwerpt in twee instanties het beroep, onder meer omdat er geen aanwijzingen zijn dat verzoekers in de aandacht staan van het Iraanse regime.

Verzoekers stellen bij uitzetting naar Iran te worden behandeld in strijd met art. 3 EVRM. Het Hof overweegt dat uit informatie van verschillende internationale bronnen blijkt dat de Iraanse autoriteiten geregeld personen die politiek actief zijn slecht behandelen. Dit risico betreft niet slechts de leiders van politieke organisaties, maar een ieder die zich keert tegen het huidige regime. De algemene situatie in Iran is echter onvoldoende ernstig om reeds daarom uitzetting in strijd met art. 3 EVRM te achten.

Het Hof neemt de conclusie van de Zweedse rechter over dat het relaas van verzoekers geloofwaardig is. De activiteiten van verzoekers in Iran zijn niet voldoende om een art. 3 EVRM-risico op te leveren. Verzoekers hebben zich in Zweden echter toenemend politiek ingezet. Uit de informatie over Iran blijkt dat de Iraanse autoriteiten internetcommunicatie van regimecritici volgen. Vanwege het profiel van verzoekers is het waarschijnlijk dat verzoekers in Iran zullen worden geïdentificeerd. Dit levert, gelet op wat bekend is van de Iraanse omgang met politieke opponenten, een reëel risico op behandeling in strijd met art. 3 EVRM op.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2012/153
Permalink to this page
Back