HR (13/02359: Premie voor verkoopopties aandelen niet aftrekbaar van het inkomen uit aanmerkelijk belang als het optierecht niet is uitgeoefend)

Authors
Publication date 2015
Journal BNB : Beslissingen in Belastingzaken
Article number 1
Volume | Issue number 2015 | 1
Organisations
  • Faculty of Economics and Business (FEB) - Amsterdam School of Economics Research Institute (ASE-RI)
Abstract
Belanghebbende bezit sinds 2000 een pakket aandelen dat een fictief aanmerkelijk belang vormt. In 2001 en 2002 heeft hij verkoopopties verworven op het aandelenpakket tegen betaling van een premie. De optierechten zijn door het verstrijken van de looptijd vervallen. In 2004 heeft belanghebbende 86,9667% van het pakket vervreemd. In geschil is of belanghebbende 86,9667% van de betaalde premie in mindering mag brengen op het in 2004 genoten inkomen uit aanmerkelijk belang. Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord, onder meer overwegende dat blijkens de wettekst alleen koopopties worden gelijkgesteld met het onderliggende aandeel of winstbewijs, en dat uit de wetsgeschiedenis niet kan worden afgeleid dat de wetgever de regel heeft willen invoeren dat alle optierechten onder de werking van het aanmerkelijkbelangregime zouden vallen.

HR: Het Hof heeft op goede gronden een juiste beslissing genomen. De door belanghebbende aangevoerde argumenten om verkoopopties op gelijksoortige wijze te behandelen als koopopties kunnen in dit opzicht de duidelijke wettekst en de daarmee overeenstemmende wetsgeschiedenis niet opzij zetten.

Het oordeel van het Hof dat de verkoopoptiepremie niet kan worden aangemerkt als kosten van reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang is juist.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00C86A4D&cpid=WKNL-LTR-Nav2
Permalink to this page
Back