EHRM (14499/09: A.A. e.a. / Zweden)

Authors
Publication date 2012
Journal EHRC. European Human Right Cases
Article number 178
Volume | Issue number 2012 | 9
Pages (from-to) 2132-2144
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Amsterdam Center for International Law (ACIL)
Abstract
Klagers zijn een moeder en haar vijf kinderen, allen van Jemenitische nationaliteit, die in 2006 in Zweden asiel vragen. Moeder voert aan jarenlang door haar echtgenoot te zijn misbruikt en haar dochters te willen beschermen tegen uithuwelijking en mishandeling. Eén dochter werd op haar veertiende uitgehuwelijkt en een andere dochter dreigt te worden uitgehuwelijkt op haar dertiende. Moeder en kinderen zouden bovendien vanwege hun vlucht naar Zweden en het zo doorbreken van de banden met vader/echtgenoot een risico lopen op eerwraak.

De asielverzoeken worden afgewezen omdat eventuele problemen met de echtgenoot kunnen worden afgekocht en niet eergerelateerd zijn. De Zweedse migratierechter houdt de afwijzingen in stand en overweegt dat de algemene situatie voor vrouwen in Jemen onvoldoende ernstig is om daaraan een asielaanspraak te ontlenen. Ook noteert de rechter dat de familie onvoldoende pogingen heeft ondernomen om bescherming te krijgen van de Jemenitische autoriteiten.

Voor het Hof stellen klagers dat hun uitzetting naar Jemen in strijd komt met art. 2 en 3 EVRM vanwege een risico op eerwraak en uithuwelijking. Het Hof overweegt dat de veiligheidssituatie in Jemen nog altijd instabiel is, maar van onvoldoende ernst om binnen de reikwijdte van art. 3 EVRM te komen. Wat betreft de persoonlijke omstandigheden van klagers merkt het Hof op dat de zaak grondig is behandeld door de Zweedse autoriteiten. Klagers’ stelling dat zij eerwraak hebben te vrezen van de clan waartoe zij behoren is onvoldoende onderbouwd. Omdat de twee zoons ondertussen volwassen en zelfstandig zijn moeten zij geacht worden niet langer een risico op vergelding te lopen. Met betrekking tot de moeder merkt het Hof op dat niet in geding is dat zij het slachtoffer is geweest van huiselijk geweld, maar dat niet is aangetoond dat de echtgenoot uit zou zijn op eerwraak. Bovendien kan de moeder een beroep doen op bescherming door haar zoons en twee broers en zou zij steun kunnen vragen van ngo’s in de hoofdstad Sanaa. Ten aanzien van de uitgehuwelijkte oudste dochter overweegt het Hof dat geen details bekend zijn van de omstandigheden van haar huwelijk en dat er geen aanwijzingen zijn dat haar man haar terug wil. Met betrekking tot de middelste dochter merkt het Hof op dat zij inmiddels volwassen is en er geen informatie is waaruit blijkt dat de man aan wie zij zou worden uitgehuwelijkt nog op haar wacht. Ook de jongste dochter loopt een hypothetisch risico op uithuwelijking waar geen nadere informatie over is aangevoerd. Ten aanzien van alle familieleden overweegt het Hof dat zij elkaar na terugkeer steun kunnen verlenen. Het Hof oordeelt met zes stemmen tegen één dat de uitzetting naar Jemen niet in strijd komt met art. 2 en 3 EVRM.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2012/178
Permalink to this page
Back