Complexe zinnen

Authors
Publication date 2008
Host editors
  • A. Baker
  • B. van den Bogaerde
  • R. Pfau
  • T. Schermer
Book title Gebarentaalwetenschap: een inleiding
ISBN
  • 9789077822333
Pages (from-to) 145-166
Publisher Deventer: Van Tricht
Organisations
  • Faculty of Humanities (FGw) - Amsterdam Institute for Humanities Research (AIHR) - Amsterdam Center for Language and Communication (ACLC)
Abstract
We kunnen twee typen complexe zinnen onderscheiden. Bij subordinatie (onderschikking)
is er sprake van een combinatie van een hoofdzin met een bijzin terwijl
bij coördinatie (nevenschikking) twee hoofdzinnen gecombineerd worden.
Bijzinnen kunnen onder andere door middel van een complementeerder of conjunctie
of door verandering in de constituentvolgorde worden gemarkeerd. In
gebarentalen zijn dergelijke aanwijzingen echter zeldzaam en het is daarom soms
lastig om te bepalen of een zin een hoofd- of bijzin is. In complementzinnen is
de bijzin op grond van de valentie van het matrix-predicaat vereist; de bijzin
vervult dus de functie van argument. Als de complementzin in een SOV-taal niet
op de plek verschijnt waar een nominaal object zou staan, maar na het werkwoord
komt, spreken we van extrapositie van de bijzin. Als het matrix-predicaat
een communicatiewerkwoord is dan kan de gebaarder de uiting met behulp van
indirecte of directe rede weergeven. Bij het laatste zal hij gebruik maken van
rolnemen door middel van body shift en (optioneel) mimiek.
In tegenstelling tot complementzinnen zijn adverbiale bijzinnen optionele
toevoegingen. In bijzinnen die tijd specificeren staan de hoofd- en de bijzin in
een bepaalde tijdsrelatie met elkaar: de gebeurtenis in de bijzin kan voor, na
of simultaan met de gebeurtenis in de hoofdzin plaatsvinden. Dergelijke bijzinnen
worden niet-manueel gemarkeerd (wenkbrauwen omhoog) en bevatten
soms een tijdconjunctie. Ook bijzinnen die een reden of doel specificeren zijn
optionele toevoegingen. Ze worden of door middel van een manuele conjunctie
geïntroduceerd of ze worden in de vorm van een zogenaamde wh-cleft constructie
gerealiseerd. Voorwaardelijke bijzinnen verschijnen altijd in zinsinitiële
positie en kunnen optioneel een manuele subordinerende conjunctie bevatten.
Belangrijker blijkt echter niet-manuele markering te zijn. Door middel van nietmanuele
markering kan zelfs een verschil worden gemaakt tussen factuele en
contra-factuele voorwaardelijke bijzinnen.
Betrekkelijke bijzinnen verschillen van zowel complementzinnen als ook
adverbiale bijzinnen omdat ze naamwoorden modificeren of verder specificeren.
Ze kunnen of een beperkende functie of een uitbreidende functie hebben.
Afhankelijk van de positie van het nominale hoofd van de constructie moeten
hoofd-interne en hoofd-externe betrekkelijke bijzinnen worden onderscheiden.
De twee typen verschillen onder andere van elkaar wat betreft de scope van
de niet-manuele markeerder en het gebruik van een betrekkelijk voornaamwoord
(relatiefpronomen). Uitbreidende betrekkelijke bijzinnen lijken structureel
op een andere manier gerealiseerd te kunnen worden, namelijk door middel
van een parenthese.
Ook bij coördinatie, de combinatie van twee hoofdzinnen, kan gebruik worden
gemaakt van manuele conjuncties. Bovendien kan de relatie tussen de zinnen
niet-manueel door middel van een body lean worden gemarkeerd. Het is
gebruikelijk om in een coördinatiestructuur elementen die in beide zinnen voorkomen
één keer weg te laten; dit fenomeen wordt equi-deletie genoemd. Een
speciaal geval van coördinatie is de coördinatie van naamwoorden. Soms is
het lastig om te bepalen of een complexe zin het resultaat is van subordinatie of
coördinatie. Voor ASL is vastgesteld dat de twee typen door middel van bepaalde
tests, bijvoorbeeld de pronoun copy test, kunnen worden onderscheiden.
Document type Chapter
Permalink to this page
Back