Complexe zinnen
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2008 |
| Host editors |
|
| Book title | Gebarentaalwetenschap: een inleiding |
| ISBN |
|
| Pages (from-to) | 145-166 |
| Publisher | Deventer: Van Tricht |
| Organisations |
|
| Abstract |
We kunnen twee typen complexe zinnen onderscheiden. Bij subordinatie (onderschikking)
is er sprake van een combinatie van een hoofdzin met een bijzin terwijl bij coördinatie (nevenschikking) twee hoofdzinnen gecombineerd worden. Bijzinnen kunnen onder andere door middel van een complementeerder of conjunctie of door verandering in de constituentvolgorde worden gemarkeerd. In gebarentalen zijn dergelijke aanwijzingen echter zeldzaam en het is daarom soms lastig om te bepalen of een zin een hoofd- of bijzin is. In complementzinnen is de bijzin op grond van de valentie van het matrix-predicaat vereist; de bijzin vervult dus de functie van argument. Als de complementzin in een SOV-taal niet op de plek verschijnt waar een nominaal object zou staan, maar na het werkwoord komt, spreken we van extrapositie van de bijzin. Als het matrix-predicaat een communicatiewerkwoord is dan kan de gebaarder de uiting met behulp van indirecte of directe rede weergeven. Bij het laatste zal hij gebruik maken van rolnemen door middel van body shift en (optioneel) mimiek. In tegenstelling tot complementzinnen zijn adverbiale bijzinnen optionele toevoegingen. In bijzinnen die tijd specificeren staan de hoofd- en de bijzin in een bepaalde tijdsrelatie met elkaar: de gebeurtenis in de bijzin kan voor, na of simultaan met de gebeurtenis in de hoofdzin plaatsvinden. Dergelijke bijzinnen worden niet-manueel gemarkeerd (wenkbrauwen omhoog) en bevatten soms een tijdconjunctie. Ook bijzinnen die een reden of doel specificeren zijn optionele toevoegingen. Ze worden of door middel van een manuele conjunctie geïntroduceerd of ze worden in de vorm van een zogenaamde wh-cleft constructie gerealiseerd. Voorwaardelijke bijzinnen verschijnen altijd in zinsinitiële positie en kunnen optioneel een manuele subordinerende conjunctie bevatten. Belangrijker blijkt echter niet-manuele markering te zijn. Door middel van nietmanuele markering kan zelfs een verschil worden gemaakt tussen factuele en contra-factuele voorwaardelijke bijzinnen. Betrekkelijke bijzinnen verschillen van zowel complementzinnen als ook adverbiale bijzinnen omdat ze naamwoorden modificeren of verder specificeren. Ze kunnen of een beperkende functie of een uitbreidende functie hebben. Afhankelijk van de positie van het nominale hoofd van de constructie moeten hoofd-interne en hoofd-externe betrekkelijke bijzinnen worden onderscheiden. De twee typen verschillen onder andere van elkaar wat betreft de scope van de niet-manuele markeerder en het gebruik van een betrekkelijk voornaamwoord (relatiefpronomen). Uitbreidende betrekkelijke bijzinnen lijken structureel op een andere manier gerealiseerd te kunnen worden, namelijk door middel van een parenthese. Ook bij coördinatie, de combinatie van twee hoofdzinnen, kan gebruik worden gemaakt van manuele conjuncties. Bovendien kan de relatie tussen de zinnen niet-manueel door middel van een body lean worden gemarkeerd. Het is gebruikelijk om in een coördinatiestructuur elementen die in beide zinnen voorkomen één keer weg te laten; dit fenomeen wordt equi-deletie genoemd. Een speciaal geval van coördinatie is de coördinatie van naamwoorden. Soms is het lastig om te bepalen of een complexe zin het resultaat is van subordinatie of coördinatie. Voor ASL is vastgesteld dat de twee typen door middel van bepaalde tests, bijvoorbeeld de pronoun copy test, kunnen worden onderscheiden. |
| Document type | Chapter |
| Permalink to this page | |
