De (vervolg)stuiting van de verjaringstermijn ex art. 7:942 lid 2 BW Enige opmerkingen naar aanleiding van HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:335
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2016 |
| Journal | Nederlands Tijdschrift voor Handelsrecht |
| Volume | Issue number | 2016 | 3 |
| Pages (from-to) | 180-184 |
| Number of pages | 5 |
| Organisations |
|
| Abstract |
In dit arrest oordeelt de Hoge Raad kort gezegd dat art. 7:942 lid 2 (oud) BW aldus moet worden uitgelegd dat in geval van een tweede (of volgende) schriftelijke aanspraak van de tot uitkering gerechtigde, na een eerdere afwijzing door de verzekeraar, slechts dan een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen indien de verzekeraar opnieuw bij aangetekende brief ondubbelzinnig heeft medegedeeld de aanspraak af te wijzen, onder de eveneens ondubbelzinnige vermelding van het in lid 3 vermelde rechtsgevolg. Dat betekent â in geval van een afwijzing door een verzekeraar van de claim â dat bij stuiting van de zesmaandentermijn ex art. 7:942 lid 2 (oud) BW door de verzekerde niet van rechtswege een nieuwe termijn gaat lopen â vergelijk art. 3:319BWâ maar dat die termijn pas gaat lopen indien de claim bij aangetekende brief wederom is afgewezen met daarin de ondubbelzinnige vermelding dat de rechtsvordering binnen zes maanden verjaart. Door de auteur van deze bijdrage wordt verdedigd dat de Hoge Raad naar alle waarschijnlijkheid bij stuiting van de driejaarstermijn van het huidige art. 7:942 lid 2 BW hetzelfde standpunt zal innemen.
|
| Document type | Article |
| Language | Dutch |
| Published at | http://www.uitgeverijparis.nl/reader/197993/1001262134 |
| Permalink to this page | |