HR (rolnr. 12/05400: peildatum verdeling)

Authors
Publication date 2014
Journal Jurisprudentie personen- en familierecht
Article number 24
Volume | Issue number 2014 | 2
Pages (from-to) 137-145
Organisations
  • Faculty of Law (FdR)
Abstract
Partijen waren gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen. Bij beschikking van 6 oktober 2010 heeft de rechtbank op verzoek van de vrouw de echtscheiding uitgesproken tussen partijen. In hoger beroep heeft de vrouw verzocht de beschikking te vernietigen. Tijdens de mondelinge behandeling op 7 juni 2011 heeft zij dit verzoek ingetrokken, waarna de beschikking van de rechtbank op 15 juni 2011 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De onderhavige procedure betreft de verdeling van de huwelijksgemeenschap nu partijen van mening verschillen over de verdeling van aandelen en opties. De rechtbank heeft in haar beschikking van 6 juli 2011 overwogen dat de peildatum voor het vaststellen van de samenstelling en de omvang van de gemeenschap wat deze aandelen en opties betreft, moet worden gesteld op 23 april 2010. De vrouw heeft in hoger beroep betoogd dat 15 juni 2011 dient te gelden als peildatum. Het hof heeft dit betoog verworpen en heeft de peildatum gesteld op 1 februari 2011. Het hof is van mening dat de vrouw de echtscheiding onnodig heeft vertraagd door hoger beroep in te stellen van de echtscheiding, terwijl zij wist daarin niet ontvankelijk te zijn. Daarom moet volgens het hof op grond van de redelijkheid en billijkheid van de gewone peildatum - de beëindiging van het huwelijk - voor de verdeling althans voor de aandelen en opties, worden afgeweken. Als zij die vertraging niet had veroorzaakt, dan was de echtscheiding uiterlijk in januari 2011 ingeschreven geweest, zodat de aandelen en opties die in februari 2011 waren verkregen, niet meer in de gemeenschap waren gevallen. Het hof acht het onredelijk dat de vrouw van deze door haar toedoen ontstane onnodige vertraging profiteert doordat de aandelen en opties in de verdeling worden betrokken die na 1 februari 2011 in de gemeenschap zijn gevallen.
De vrouw klaagt in cassatie dat het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting te oordelen dat niet het tijdstip van ontbinding van het huwelijk, maar 1 februari 2011 heeft te gelden als peildatum voor het bepalen van de samenstelling en de omvang van de aandelen en opties in de huwelijksgoederengemeenschap. Volgens het onderdeel heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat wordt uitgegaan van een andere peildatum dan de datum van ontbinding van het huwelijk.
De klacht is gegrond, aldus de Hoge Raad. Een huwelijksgoederengemeenschap duurt voort totdat zij wordt ontbonden op een van de in art. 1:99 (oud) BW vermelde gronden (vgl. HR 6 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2130, NJ 1997/593). Het tijdstip van ontbinding van de gemeenschap is in geval van echtscheiding het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (art. 1:149 BW in verbinding met art. 1:163 BW). Anders dan het hof heeft geoordeeld, kan voor het bepalen van de peildatum voor het vaststellen van de samenstelling en de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap niet van dit tijdstip worden afgeweken, ook niet op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid. Het hof heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat de aandelen en opties die de man na 1 februari 2011 heeft verkregen, niet in de gemeenschap vallen. De Hoge Raad casseert de bestreden beschikking en verwijst de zaak naar het Hof ’s-Hertogenbosch voor de verdere afdoening.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JPF/2014/24
Permalink to this page
Back