Lijdt art. 10a VPB 1969 schipbreuk na Lexel?

Open Access
Authors
Publication date 2022
Journal Fiscaal Tijdschrift FED
Article number 31
Volume | Issue number 2022 | 6
Pages (from-to) 3-9
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Amsterdam Center for Tax Law (ACTL)
Abstract
Op 20 januari 2021 heeft het HvJ EU het arrest Lexel gewezen. In deze zaak stond een Zweedse renteaftrekbeperking centraal die beoogt winstdrainage te bestrijden. Het HvJ EU oordeelde dat deze bepaling een ongerechtvaardigde belemmering van de vrijheid van vestiging (art. 49 VWEU) vormt.

Naar aanleiding van dit arrest is de vraag opgekomen of dit wellicht implicaties heeft voor art. 10a Wet VPB 1969. In het verleden heeft de Hoge Raad immers geoordeeld dat art. 10a Wet VPB 1969 niet strijdig is met de vrijheid van vestiging (i.e. de rechtshandelingen beschreven in art. 10a lid 1 onderdelen a en b Wet VPB 1969). In deze beschouwing behandelen wij in hoeverre Lexel relevant is bij de beoordeling van de Unierechtelijke houdbaarheid van art. 10a Wet VPB 1969. Het arrest is met name relevant met het oog op de rechtvaardiging van een eventuele belemmering. Bij de toepassing van art. 10a Wet VPB 1969 is het echter de vraag of er überhaupt een belemmering kan worden geconstateerd. In deze beschouwing bespreken wij daarom eerst welke verkeersvrijheden toepasbaar zijn bij de beoordeling van art. 10a Wet VPB 1969 en of de bepaling een belemmering van (een of meerdere van) deze verkeersvrijheden vormt (paragraaf 2). Vervolgens gaan wij in paragraaf 3 in op de vraag of een mogelijke belemmering kan worden gerechtvaardigd door een beroep op de noodzaak tot misbruikbestrijding, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan Lexel. Hierna volgt de conclusie.
Document type Article
Language Dutch
Published at https://new.navigator.nl/document/idf230b670cbba49ce9a84f3c53d2346a5?ctx=WKNL_CSL_38
Downloads
Permalink to this page
Back