Rechtbank Rotterdam (IPR-huwelijksvermogensrecht, Toepasselijk recht: Chelouche-Van Leer-regel, Aansprakelijkheid voor gemeenschapsschulden na echtscheiding)

Authors
Publication date 2009
Journal Jurisprudentie personen- en familierecht
Article number 31
Volume | Issue number 2009 | 2
Pages (from-to) 119-125
Organisations
  • Faculty of Law (FdR)
Abstract
Partijen, beiden Turks onderdaan, zijn gehuwd in 1979 in Turkije. Tijdens het huwelijk heeft IDM financieringen BV te Amsterdam in 2002 geld geleend aan de man. IDM eist terugbetaling van het geleende geld. IDM stelt zich in zijn gewijzigde eis op het standpunt dat - nu de huwelijksgemeenschap in 2007 is ontbonden door echtscheiding, de man voor het geheel aansprakelijk is voor de schuld; en de vrouw op grond van art. 1:102 BW voor de helft.

De vrouw verweert zich hiertegen met de stelling dat zij niet aansprakelijk is: het Turkse recht beheerst het huwelijksgoederenregime en dat recht kent geen regel die tot gevolg zou hebben dat zij aansprakelijk is voor schulden die de man is aangegaan.

Oorspronkelijk was de vrouw blijkbaar aangesproken op de grond dat de vrouw zou hebben meegetekend in de kredietovereenkomst waardoor zij als contractspartij aansprakelijk zou zijn, maar die handtekening blijkt vals te zijn. De rechtbank laat de eiswijziging toe.

De rechtbank is van mening dat in casu art. 2 WCHb niet van toepassing is, nu het geen schuld in de zin van art. 1:85 BW betreft: het gaat immers om een kredietovereenkomst. Zelfs, zo oordeelt de rechtbank, als daarmee huishoudelijke uitgaven zijn betaald, dan valt deze overeenkomst niet onder art. 1:85 BW.

Dan rijst de vraag welk huwelijksgoederenregime van toepassing is. Nu dit huwelijk is gesloten na 1977 en voor 1992, is er geen verdrag dat het toepasselijk recht aanwijst. Daarom geldt de Chelouche-Van Leer-regel (HR 10 december 1976, NJ 1977, 275, BER). Nu partijen ten tijde van de huwelijkssluiting beiden Turks onderdaan waren, geldt het Turkse huwelijksvermogensrecht als zij geen rechtskeuze voor Nederlands recht hebben gedaan. De rechtbank oordeelt in de uitspraak van december 2008 dat - ook al zou er in het verzoekschrift tot echtscheiding en de daarop volgende proceshouding van de man al een stilzwijgende rechtskeuze voor Nederlands recht zijn gedaan -- dan geldt dat een dergelijke stilzwijgende rechtskeuze niet mogelijk is. Daarom wordt ervan uitgegaan dat geen rechtskeuze is gedaan.

In de uitspraak van juli 2008 had de rechtbank al vastgesteld dat zowel volgens het oude Turkse huwelijksvermogensrecht (vóór 1 januari 2002) als volgens het nieuwe recht geldt, dat elke echtgenoot alleen aansprakelijk is voor de door hem gemaakte schulden, zowel die welke zijn ontstaan vóór de huwelijkssluiting als ook die van daarna. Daarom is alleen de man voor de schuld aansprakelijk die hij zelf is aangegaan en wordt de vordering tot betaling jegens de vrouw afgewezen.

NB: de regel dat een stilzwijgende rechtskeuze in het verzoekschrift tot echtscheiding niet mogelijk is, kan worden afgeleid uit het arrest HR 19 maart 1993, NJ 1994, 187, m.nt. JCS (Rhodesië-arrest).
Document type Case note
Note LJN BG8170; 2e datum: 17-12-2008 (LJN BG8173); Roermond, nr. 30: 28-10-2008 (LJN BG3888); Den Haag, nr. 28: 16-4-2008 ( LJN BE9152); Alkmaar, nr. 27: 13-09-2004 (LJN AR2451)
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JPF/2009/31
Permalink to this page
Back