HR (11/04954, LJN BW7752: Pachtbeëindiging om niet vormt uitdeling; inkomen uit aanmerkelijk belang; correctie resultaat overige werkzaamheden)

Authors
Publication date 2013
Journal BNB : Beslissingen in Belastingzaken
Article number 159
Volume | Issue number 2013 | 15
Pages (from-to) 3286-3296
Organisations
  • Faculty of Economics and Business (FEB) - Amsterdam School of Economics Research Institute (ASE-RI)
Abstract
Hetzelfde feitencomplex als in HR, BNB 2013/158c*. Belanghebbende heeft in de procedure over het jaar 2002 (zie HR, BNB 2013/158c*) meer subsidiair aangevoerd dat het door de BV niet-bedingen van een vergoeding voor de beëindiging van de pacht onzakelijk is. Daarin heeft de Inspecteur aanleiding gezien om voor het onderhavige jaar (2003) een navorderingsaanslag op te leggen en daarbij het standpunt in te nemen dat het om niet beëindigen van de pachtovereenkomst als een winstuitdeling door de BV aan belanghebbende dient te worden aangemerkt die in het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van belanghebbende dient te worden begrepen.
Het Hof was van oordeel dat het standpunt van de Inspecteur in beginsel juist kan zijn, maar aangezien het desbetreffende voordeel reeds bij het belastbaar inkomen uit werk en woning van het jaar 2002 in aanmerking is genomen, is het volgens het Hof in strijd met het systeem van de wet het voordeel in het jaar 2003 als uitdeling in het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang te begrijpen.
HR: Het Hof heeft miskend dat het bij de beëindiging van de terbeschikkingstelling genoten voordeel uit hoofde van de waardeaangroei bij de verpachter (belanghebbende) een ander voordeel is dan het voordeel dat de pachter (de BV) zich liet ontgaan door geen vergoeding te bedingen ter zake van de beëindiging van de pachtovereenkomst. Voorts geldt dat indien een beëindiging op zakelijke gronden gepaard zou zijn gegaan met het betalen van een vergoeding aan de BV, daaraan de conclusie moet worden verbonden dat het resultaat uit overige werkzaamheden voor de gevolgen van die onzakelijkheid moet worden gecorrigeerd. Van tweemaal heffen over hetzelfde voordeel is derhalve geen sprake. Belanghebbende heeft niet betwist dat sprake is van een uitdeling, zodat in cassatie daarvan moet worden uitgegaan. In zoverre is de navorderingsaanslag derhalve terecht opgelegd.
De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat bij belanghebbende in het onderhavige jaar rekening moet worden gehouden met een verlies uit werk en woning ter grootte van de helft van het verschil tussen de boekwaarde en de waarde vrij van pacht van de ter beschikking gestelde onroerende zaken per 31 december 2002 (€ 261.208), verminderd met het totaalbedrag van de uitdeling (€ 368.000), ofwel € 53.396.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00C3361A&cpid=WKNL-LTR-Navigator
Permalink to this page
Back