HR (zaaknr. 13/01431: belastingheffing bovenmatige vertrekvergoeding mede berekend op basis van loon genoten voor de invoering: geen strijd met eigendomsgrondrecht EVRM: geen discriminatie van loon uit aandelen ten opzichte van loon uit aandelenopties)

Authors
Publication date 2014
Journal BNB : Beslissingen in Belastingzaken
Article number 229
Volume | Issue number 2014 | 21
Organisations
  • Faculty of Law (FdR)
Abstract
In het kader van een aandelenplan van eind 2006 heeft belanghebbende aan een werknemer (CEO) voorwaardelijke rechten op aandelen toegekend. Deze aandelen zijn geleverd in 2008 en het hiermee gemoeide voordeel van € 1.790.000 is in 2008 tot het loon gerekend. Per 1 oktober 2009 is de dienstbetrekking beëindigd waarbij een ontslagvergoeding van € 1.350.000 is toegekend. In geschil is of voor de toepassing van de per 1 januari 2009 ingevoerde pseudo-eindheffing over bovenmatige vertrekvergoedingen het in 2008 door de werknemer genoten voordeel van € 1.790.000 mee in aanmerking moet worden genomen. Het Hof heeft geoordeeld dat sprake is van strijd met art. 1 Eerste Protocol EVRM voor zover bij de bepaling van de omvang van de vertrekvergoeding rekening wordt gehouden met dit in 2008 genoten voordeel.
HR: Ten tijde van de verstrekking van het loonbestanddeel in de vorm van een onvoorwaardelijk recht op levering van aandelen kon belanghebbende nog niet voorzien dat de hoogte daarvan invloed zou hebben op de heffing die zij later verschuldigd zou kunnen worden in geval van beëindiging van de dienstbetrekking. Aldus wordt afbreuk gedaan aan haar belang om de fiscale gevolgen van haar (voorgenomen) handelingen tevoren te kunnen overzien. Alleen dit rechtvaardigt echter nog niet de gevolgtrekking dat sprake is van strijd met art. 1 Eerste Protocol EVRM. Deze bepaling verzet zich niet zonder meer tegen wetswijzigingen waarbij voor de berekening van een belastingschuld gevolgen worden verbonden aan feiten die zich hebben voorgedaan voordat de inhoud van de wetswijziging kenbaar werd. Van een inbreuk is alleen dan sprake als de invloed van dergelijke anterieure feiten ertoe leidt dat bij de belastingheffing geen ‘fair balance’ bestaat tussen de betrokken belangen. De regeling streeft echter een legitiem doel na in het algemeen belang, en de wetgever is gebleven binnen de hem onder art. 1 Eerste Protocol EVRM toekomende ruime beoordelingsmarge. Alle factoren in aanmerking nemende bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat de wetgever met de regeling en het daarbij gehanteerde overgangsrecht geen legitiem doel heeft nagestreefd of daarbij de vereiste ‘fair balance’ niet in acht heeft genomen. Van een individuele buitensporige last is evenmin gebleken.
De Hoge Raad doet zelf de zaak af. In dat kader wordt de vraag of de verwerving van aandelen in het onderhavige geval voor de toepassing van art. 32bb lid 7 Wet LB 1964 op gelijke wijze moet worden behandeld als een verwerving van aandelenopties, ontkennend beantwoord omdat de twee gevallen te zeer van elkaar verschillen. Ook oordeelt de Hoge Raad dat de wetgever niet was gehouden in de heffing over bovenmatige vertrekvergoedingen een mogelijkheid tot tegenbewijs op te nemen waardoor loonbestanddelen voor de berekening van de heffingsgrondslag buiten aanmerking blijven indien zij niet in verband staan met het vertrek van een werknemer. Met de keuze om dat niet te doen is de wetgever volgens de Hoge Raad niet getreden buiten de hem toekomende beoordelingsmarge.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00C7E9D1&cpid=WKNL-LTR-Nav2
Permalink to this page
Back